In het archief van de schepenbank van Oss wordt op 18 maart 1605 (7365-056-038) het volgende aangetekend:
Voor Cornelis van Oss ende Aert Ghijsberts van Huemen, schepenen in Oss heeft Aert Ruth Comans bekend mits desen ten versuecke van Cornelis Henricx van Oss als man van Geertgen naegelaeten weduwe Gerit Jacop Geenen, dat Jan soone Claes van Romen sijnen swagere vercoft hadde aen Gerit Jacop Geenen een jaerlicxsche renthbrieff van 30 stuvers siaers vuijt huijs ende hoff inde roijstraet gaende, belendingen: Herman van Esch; de gemeijn straet; welck voirs huijs ende hoff lants Willem de Wever aen Jannen Strick ende de selve Jan Strick wederom aen Herman van Esch hadde vercoft, belast met jaerlijcx een daelder aen Jannen van Romen ende dairnae bij vercoop aen Gerit Jacop Geenen, naevolgende den transportbrieven daervan sijnde; van allet welcke die voirs Aert Ruth Comans verclaerden goede kennisse te hebben dat de cooppenningen vande voors 30 st. jaerlijcx bij Gerit Jacop Geenen coopere aenden voirs Jannen van Romen vercooopere wel ende deuchtelijck ontfanghen ende betaelt sijn, gelijck dat die voirs Aert oipentlijck voir ons bekenden.
Actum den 18-3-1605.
In de tekst wordt in verband met 'Jan soone Claes van Romen' de toevoeging 'sijnen swagere' gebruikt. Mijn vraag hierbij is met welke andere in de akte genoemde persoon dit zwagerschap bestaat?
Ik lees de akte als volgt:
Gerit Jacop Geenen heeft in het verleden geld uitgeleend aan Jan Claes van Romen, een rentebrief van jaarlijks 30 stuiver, met als onderpand het huijs en hoff van laatstgenoemde gelegen in de Roijstraat.
Vervolgens is de eigendom van het onderpand/huijs en hoff enkele malen van eigendom verwisseld, eerst naar Willem de Wever, vervolgens naar Jan Stick en weer terug naar Willem de Wever.
Kennelijk is er sprake van onduidelijkheid over het al dan niet voortbestaan van de last van de jaarrente.
De oude schuldeiser (Gerit Jacop Geenen) is intussen overleden, zijn weduwe Geertgen is hertrouwd met Cornelis Henricx van Oss.
Laastgenoemde vordert in feite nakoming van de oude financiële overeenkomst door de huidige eigenaar en roept daarbij Aert Ruth Comans op als getuige.
Deze verklaart dat er nog sprake is van een lopende verplichting en lijkt dat te kunnen zeggen als betrouwbare getuige omdat de oorspronkelijke schuldenaar zijn zwager zou zijn geweest?
Wie deelt voorgaande veronderstelling dat Aert Ruth Comans en Jan Claes van Romen zwagers zijn geweest?
Of is er iemand die mij kan vertellen dat ik de informatie in de akte niet op een juiste wijze interpreteer?
Alle hulp die mij het dicht bij de waarheid of werkelijk kan brengen is van harte welkom !