Direct naar de inhoud

Let op! Dit is de beta website van BHIC. Reacties die je hier achterlaat, gaan verloren na officiële livegang.

Terug naar overzichtOverzicht
Aardappelen

Aardappelen

Wim van de Kerkhof

22 juli 2025

Bijgewerkt op 6 augustus 2025

In de zestiende eeuw brengen Spaanse ontdekkingsreizigers de eerste aardappelen mee uit Zuid-Amerika. Ongetwijfeld hebben zij nooit kunnen vermoeden, dat die vondst tot een ware revolutie zal leiden. Overigens geen revolutie met doden en gewonden. Hoewel, in de jaren 1845-1850 zijn de mislukte aardappeloogsten in diverse Europese landen de oorzaak van honderdduizenden doden. In Ierland sterven bijna een miljoen inwoners de hongerdood. Als gevolg daarvan komt er een ware volksverhuizing op gang. Bijna de helft van de Ierse bevolking zoekt zijn toevlucht in de nieuwe wereld aan de andere kant van de oceaan.

Bron: Regionaal Historisch Centrum Eindhoven
Grondwerkers met ploeg en schop; geheel rechts burgemeester J.A. Baken, Westerhoven ca. 1915 (Foto: Johannes Adrianus Baken / collectie Regionaal Historisch Centrum Eindhoven (opent in een nieuw tabblad))

Aanvankelijk wordt de aardappel, net als de tulp, als exotische sierplant gebruikt. Uiteraard zijn het monniken die zich verdiepen in de mogelijkheden van deze bijzondere knol. In eerste instantie wordt de aardappel als een geneesmiddel gezien. Zeelui komen tot de ontdekking dat deze knol een probaat middel is tegen scheurbuik. Als in het laatst van de 17e eeuw een Weense arts de aardappel als medicijn gaat voorschrijven, is dat de start van een snelle opmars en wordt het succes ongekend.

Vanaf de 18e eeuw wordt de aardappel voor de Europese inwoners het basisvoedsel. Vincent van Gogh zal dat op zijn unieke eigen wijze vereeuwigen met een wereldbekend schilderij. Ja, want goed aardappelen eten is een kunst op zich. Je eet die namelijk met drie tegelijk: een in je mond, een aan je vork en het oog op nummer drie, die nog in de pan ligt.

Zo direct na de Tweede Wereldoorlog heeft menigeen de verschrikkingen van de hongerwinter van 1944-1945 nog vers in het geheugen zitten. Het spreekt dan ook voor zich, dat de Nederlandse boeren zich massaal storten op het telen van aardappelen.

In het Kempische Westerhoven is dat uiteraard ook het geval. Maar, de landbouwmechanisatie staat nog in de kinderschoenen. Dus aardappels telen is in die tijd nog een bijzonder en uitermate arbeidsintensief werk. Als de akker geploegd en geëgd is, worden met een aardappelsteker eerst de plantgaten gemaakt. Daarin verdwijnt dan een pootaardappel. Vervolgens maakt nummer drie het plantgat weer dicht. Zodra de eerste kiembladeren boven de grond uitkomen, begint de verzorging. Nauwkeurig moet er worden geschoffeld zonder de tere plantjes te beschadigen.

Phytophthora is een gevreesde aardappelziekte, maar ook de coloradokever moet worden bestreden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt DDT intensief gebruikt voor desinfectie en andere ontsmettende methodes. Maar al snel blijkt, dat het voor mens en dier een dodelijk goedje is. Dus de coloradokever moet handmatig worden bestreden. Lopend tussen de rijen planten worden die nauwkeurig geïnspecteerd. De daarbij ontdekte kevers worden tussen de nagels van beide duimen doodgedrukt.

Als de zomer zijn best heeft gedaan, worden in de herfstvakantie de aardappelen geoogst. Deze vakantie is daarvoor speciaal ingesteld. De boeren trekken zich niets aan van de leerplicht en houden hun jongens  gewoon thuis. Eten is belangrijker dan kennis. De oogsten moeten immers naar binnen, dat is van belang voor hun bestaan, dus vooruit: op naar de velden en akkers.

Met de riek wordt de plant uitgestoken en de aardappelen verzameld. Zorgvuldig wordt gecontroleerd of er niets in de grond is blijven zitten. Door de "rapers" wordt de oogst in een opengevlochten ijzeren "erpelmand" gedaan. Is de mand vol, dan wordt die op een centrale plek op de akker leeggekieperd. Later op de dag komt de boer met zijn paard en platte wagen de kostbare oogst opladen. Inmiddels is er op het erf al een kuil gegraven en ingedekt met stro. Daar worden alle aardappelen heel zorgvuldig "ingekuild". Met deze voedselvoorraad moeten ze zich immers tot het volgende plantseizoen zien te redden.

Samen met mijn twee broertjes hebben we bij Jan Goossens in "de Haai" de hele herfstvakantie hard gewerkt om zijn aardappeloogst mee binnen te halen. Ook al zijn we pas tien jaar, het werk is er niet minder zwaar door. Slechts onderbroken door een voedzaam middagmaal, is het van 's-morgensvroeg tot 's-avonds laat hard werken op een soms snoeihete akker. Het vooruitzicht op een flinke beloning motiveert ons om niet bij de pakken neer te zitten. Maar dat wordt - onverwachts - toch nog een teleurstelling.

's-Zondags na de hoogmis komt Jan Goossens, waar we zo voor gezwoegd hebben, achterom binnen. Neen, hij komt niet alleen koffiedrinken. Hij komt ons ook uitbetalen. Op de vraag van mijn moeder wat haar jongens die week verdiend hebben is het antwoord kort en duidelijk. "Die drie samen? Tachtig gulden." Nou, dat is niet mis. Enne, "hoe duur zijn de erpels eigenlijk"? Op de veiling is de meest gangbare prijs per kilo vijftien cent, maar bij grotere hoeveelheden is dat maar een dubbeltje. Mijn moeder reageert alert met een opdracht die geen tegenspraak duldt: "Nou dan breng mij maar achthonderd kilo". We staan aan de grond genageld. Al onze visioenen over de pas verworven rijkdom spatten als zeepbellen uiteen. Als onze moeder de onverholen afschuw op onze gezichten ziet, is haar korte reactie: "Ja, maar jullie eten er ook van".

's-Anderdaags komt dus Jan, met paard en wagen, zijn "bestelling" afleveren. Zestien zakken van vijftig kilo worden behoedzaam leeggeschud in de aardappelbakken in onze kelder. Zorgvuldig worden ze ook nog bepoederd om uitschieten zoveel mogelijk te voorkomen. Maar ons moeder kan het natuurlijk niet over haar hart verkrijgen, dat we op die manier helemaal niets verdiend zouden hebben. Als compensatie krijgen we ieder alsnog een blinkende rijksdaalder. Later, als we volwassen en ook wat wijzer geworden zijn, begrijpen we haar strategie heel goed. Immers in de tweede helft van de vorige eeuw is de zorg voor een traditioneel groot en katholiek Brabants gezin van dertien personen geen eenvoudige opgave. Maar moeder kent uiteraard haar pappenheimers. "Woensdagmiddag bak ik friet". Als we dat vol trots op school vertellen, heeft dat natuurlijk tot gevolg dat die middag de hele keuken vol zit met ook nog hongerige buurtkinderen. Friet is in die tijd nog een beetje een bijzondere lekkernij, die niet vaak op de Kempische keukentafels verschijnt. Tien kilo aardappelen en een weckfles appelmoes verder, is iedereen verzadigd en content.

Maar de smaak van friet, blijft op onze papillen plakken. Gelukkig is daar "Jaon Buts"! Hoe hij werkelijk heet, dat weten we niet. Wel dat hij uit Bergeijk komt en zijn bijnaam dankt aan zijn hobby: voetbalscheidsrechter. Vaak past hij de spelregels verkeerd toe of beoordeelt de spelsituatie foutief. Hij laat dan het spel weer hervatten met een scheidsrechtersbal, een butsbal. Vandaar Jaon Buts!

Tegenover de benzinepomp van Wil Teut (Neutkens) en voor het huis van dokter van Hal, ligt een klein plantsoentje. Centraal daarin staat een enorm beeld van Christus Koning. Enkele jaren later zal dit beeld zijn definitieve plek krijgen op het plein van de Westerhovense parochiekerk. Maar ook op dat plantsoentje staat "het frietkot van Joan Buts". Daar spenderen we vaak ons zondagse tractement. Een portie friet kost een kwartje. Wil je daar een eetlepel mayonaise op, dan moet er nog een stuiver bijgelegd worden. Een uitgebreide prijslijst hangt er niet. Behalve friet zijn er ook bami- en nasiballen in het aanbod. Met nog een hardgekookt ei en een zure bom, heb je zowat de hele menukaart gehad.

Een aantal jaren bedient Joan - alleen in de weekenden - zijn Westerhovense cliëntele. Concurrentie is er niet. Dat verandert in 1972. Het merendeel van mijn broers en zussen is inmiddels getrouwd en heeft het ouderlijk huis verlaten. Zodoende wordt voor mijn moeder het huis veel te groot. Het wordt verkocht aan "Jan Pek" uit de buurgemeente Riethoven. Die geeft aan het pand een driedubbele bestemming. Naast woonhuis, wordt aan de ene kant een bar geopend en aan de andere kant, jawel: een frietkot! Als specialiteit verkoopt men steeds vers gesneden frieten. Uiteraard zijn daarvoor steeds verse aardappelen nodig. Die liggen natuurlijk in de twee grote aardappelbakken in de kelder van mijn voormalig ouderlijk huis.

De geschiedenis herhaalt zich.

Dit verhaal verscheen eerder in dorpsblad de MikMak (opent in een nieuw tabblad) (6 juli 2025).

Bekijk hier alle verhalen in de serie

Reacties

Reacties laden…

Feedback geven

Wat vind je van deze pagina? We horen graag wat beter kan.

0 van 300 tekens gebruikt

Deel geen gevoelige gegevens, zoals je BSN, adres, telefoonnummer of medische informatie.