Direct naar de inhoud

Let op! Dit is de beta website van BHIC. Reacties die je hier achterlaat, gaan verloren na officiële livegang.

Terug naar overzichtOverzicht
Abt Jan Moors en zijn Memoriaal

Abt Jan Moors en zijn Memoriaal

Annemarie van Lith-Droogleever Fortuijn

3 december 2024

Bijgewerkt op 3 december 2024

Dagboeken zijn historische bronnen, die op een bijzondere manier een inkijkje bieden in het leven in vroeger tijden. Zo ook het dagboek - of Memoriaal - dat Jan Moors, abt van Berne tussen 1634 en 1639, bijhield. Grotendeels in het Latijn doet de abt daarin verslag van de roerige tijden die de abdij in de nadagen van de Tachtigjarige Oorlog doormaakte. Onlangs is een Nederlandse vertaling van deze belangrijke bron gereed gekomen, te raadplegen via de website van het BHIC.

Joannes Moors.

Portret van Jan Moors (Collectie Abdij van Berne)

Joannes Moors werd op 8 augustus 1581 in Heeswijk geboren, waar zijn vader dorpssecretaris was. In ’s-Hertogenbosch bezocht hij de Latijnse school. In 1602 werd hij tot subdiaken van de norbertijner abdij van Berne gewijd, in 1607 tot priester. Hij was achtereenvolgens pastoor in Oudheusden, Bokhoven en Berlicum. Op 29 november 1621 werd hij verkozen tot abt van Berne. Dit bleef hij tot zijn overlijden op 20 april 1641. Hij was een energieke, felle abt, die niet over zich liet lopen bij alle problemen die zich voordeden. Hij zat daarbij als een spin in zijn web.

Jan Moors had twee broers en vier zusters. Cornelis werd rector van het Begijnhof te Dendermonde, Maximiliaan werd advocaat te Brussel, de ongetrouwde Johanna leidde Jans huishouden. Van de andere drie zusters, Clara, Anna en Maria, is weinig bekend.

De Opstand en ’s-Hertogenbosch.

In 1579 koos ’s-Hertogenbosch voor de Unie van Atrecht. Daardoor bleef de stad rooms-katholiek en kreeg ze tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) de naam Klein Rome: het rooms-katholicisme bloeide in die periode met de vestiging van jezuïeten en capucijnen en de oprichting van een seminarie. De Republiek, de protestantse noordelijke Nederlanden, probeerde zoveel mogelijk terrein te winnen. Maurits belegerde de stad, de Moerasdraak, tweemaal vergeefs, in 1601 en 1603. Na het Bestand werd door Frederik Hendrik in 1629 het beleg voor de stad geslagen. Dit leidde op 14 september tot overgave van de stad aan de Republiek met het Capitulatieverdrag, waarin onder andere stond dat alle mannelijke geestelijken de stad moesten verlaten, maar dat de vrouwenkloosters mochten blijven tot de laatste non gestorven was. Het Capitulatieverdrag werd naast bisschop Ophovius door abt Jan Moors, die het beleg binnen de muren van de stad meemaakte, ondertekend.

Ondertekenaars van de capitulatie van 's-Hertogenbosch in
1629: links: Frederik Hendrik, rechts bisschop Ophovius,
Joannes Moors, abbas Berniensis, en Joannes Hermans,
deken van het kapittel van Sint-Jan (foto: Erfgoed
's-Hertogenbosch).

’s-Hertogenbosch was daarmee bij de Republiek ingelijfd, maar de positie van de Meierij was omstreden. Volgens de Republiek was met de inname van de Stad ook de Meierij ingenomen. Volgens de Zuidelijke Nederlanden stond daarover niets in het Capitulatieverdrag, dus bleef de Meierij Spaans. Tussen 1629 en 1648 bestreden de troepen van de Republiek onder leiding van Frederik Hendrik en die van de Spanjaarden, aangestuurd door de landvoogden van de Zuidelijke Nederlanden, vooral kardinaal-infant Ferdinand van Oostenrijk, (1633-1641), elkaar om het bezit van de Meierij. Die strijd werd beslecht met de Vrede van Munster (1648): de Meierij behoorde definitief tot de Republiek.

De periode 1629-1648 wordt tegenwoordig de Retorsietijd genoemd. Deze term is afgeleid van het Plakkaat van Retorsie dat in 1636 uitgevaardigd werd door de Staten-Generaal, waarin in felle bewoordingen rooms-katholieke geestelijken verboden werd zich in de Meierij op te houden.

De lotgevallen van de abdij van Berne tussen 1572 en 1648.

Het Slotje van de Abdij in Heeswijk
(uitsnede uit een portret van abt Van Malsen).

De norbertijner abdij van Berne had haar domicilie in Berne bij Heusden in Hollands gebied. Nadat hun klooster in 1572 geplunderd was, weken de kloosterlingen uit naar ’s-Hertogenbosch, waar ze hun intrek namen in hun refugiehuis in de Sint Jorisstraat. Zij woonden echter voornamelijk in hun parochies Heeswijk, Berlicum, Bokhoven, Lithoijen, Vlijmen, Engelen, Hedikhuizen en Oudheusden, waar de abdij de zielzorg had. Waalwijk, Boxtel, Haaren bij Oisterwijk, Nuenen en Anholt hadden eveneens norbertijnen als pastoor. Toen Jan Moors in 1621 abt werd, besloot hij werk te maken van een nieuwe abdij in de stad. Dat verliep niet heel voorspoedig en daar kwam ten slotte een eind aan door de verovering van de stad in 1629. Moors vestigde zich toen met goedkeuring van de de Staten-Generaal in Heeswijk in het zogenaamde Slotje, dat al het domicilie was van de pastoor van Heeswijk. Moors had die toestemming gekregen met het argument dat de abdij van Berne een Hollandse en geen Brabantse abdij was. Op het Slotje bleven abt Moors en de pastoor van Heeswijk wonen en daar kwamen periodiek de overige kloosterlingen samen. Ook kwam er heel veel bezoek langs. De meest frequente bezoeker was mr. Jacob van der Cammen, rentmeester van de abdijgoederen in Brabant en het land van Ravenstein. Hij woonde in Berlicum, maar overnachtte veelvuldig in Heeswijk om zaken met Moors te bespreken. Zeer vaak kwam Moors’ goede vriend jonker Bruno ter Herenhaeff uit Dinther langs, evenals de prior van de kruisheren uit Schijndel.

Aan het verblijf in Heeswijk kwam onverwacht een eind door het uitvaardigen van het genoemde Plakkaat van Retorsie op 2 december 1636: alle in de Meierij nog aanwezige geestelijken zouden gearresteerd worden en moesten bij arrestatie een zware geldboete betalen, evenals de dorpen waar de katholieke eredienst nog werd gehouden. De abt hoorde pas op 22 december van dit plakkaat en trof ogenblikkelijk maatregelen. Hij stuurde de pastoor van Berlicum naar Den Haag om te vragen of dit ook gold voor de abdij, omdat die Hollands was en geen partij gekozen had voor de Republiek of voor de Zuidelijke Nederlanden. Moors probeerde eerst bij de graaf van Bokhoven onderdak te vinden, wat mislukte. Toen kreeg hij voor enige dagen onderdak in Gemert bij de Duitse Orde. De overige monniken zwermden uit. Van der Cammen kwam melden dat volgens de commandant van Heusden ook de neutrale gebieden in de Meierij onder het plakkaat vielen. Moors gaf zijn lot toen over aan de Goddelijke voorzienigheid en bleef in Gemert. Daar bereikte hem op 9 januari 1637 het blijde bericht dat het plakkaat toch niet bleek te gelden voor de abdij en zijn inwoners: zij konden zich weer in Berne vestigen, waar nog grote delen van de abdij overeind stonden. De Meierij was echter verboden terrein voor hen. Moors’ zuster Johanna bleef in Heeswijk wonen en bestierde daar de zaken van de abdij met behulp van wereldlijk personeel en vele brieven over en weer met haar broer. Want Moors hield nog steeds de touwtjes stevig in handen. Hij had in Berne goede contacten met de gouverneur van Heusden, graaf Willem van Nassau-Siegen. Pas op 2 juli 1638 keerde de abt terug naar Heeswijk.

 Abt Jan Moors en zijn ‘Memoriael’.

Een bladzijde uit het Memoriaal

Moors heeft een dagboek, een memoriaal, bijgehouden van 15 november 1634 tot en met 31 december 1639. Het is onbekend waarom hij er eind 1634 mee begonnen is. Mogelijk hield dat verband met het conflict dat hij met de schepenen van Heeswijk had betreffende gemene gronden die dezen zonder toestemming van de abt in 1629 hadden verkocht, terwijl de abt daar op basis van oude privileges toestemming voor had moeten geven. Op 3 november 1634 begon hij daarover een rechtzaak, die hij op 11 september 1635 won. Moors heeft daarbij wellicht ingezien dat het raadzaam was te noteren wat er allemaal omging rond de abdij en wanneer dat het geval was.

Het memoriaal begint in het Nederlands, maar gaat al halverwege 23 december 1634 over in het Latijn en dat blijft verder zo. Het is duidelijk dat Moors in het Nederlands dacht en zijn bevindingen in eenvoudig Latijn noteerde. Soms weet hij de Latijnse vertaling niet en geeft een Nederlands woord.

Het memoriaal behelst nauwelijks de religieuze taken van de abt. Enkele keren meldt hij dat hij de mis niet kon opdragen, omdat hij last van podagra had. Vaak staat bij de feestdagen: ‘Er gebeurde niets’.

Wat staat er dan wel in het memoriaal? Moors schrijft over de vele gasten die langskwamen, met of zonder uitnodiging, om een glas wijn te drinken, het middagmaal te gebruiken, te dineren, te overnachten, te logeren. Het Slotje in Heeswijk moet daar ruim gelegenheid voor hebben gegeven. Daarnaast komen de vele processen aan de orde. Moors heeft vele advocaten in de arm genomen bij het beschermen van de privileges van de abdij. Die processen speelden zich ten dele af in Heeswijk, ten dele in ’s-Hertogenbosch, maar ook in Brussel en ’s-Gravenhage. In Brussel had Moors daarbij de hulp van zijn broer Maximiliaan. Naar ’s-Gravenhage stuurde hij altijd de pastoor van Berlicum. Vaak ging dat gepaard met geschenken, zoals Kamerijks doek en hazen

Veel aandacht wordt ook besteed aan huishoudelijke zaken: inkopen van voedsel en wijn, het brouwen van gewoon en goed bier, aankoop van paarden, aanvoer en slachten van runderen, varkens  en schapen, vissen door de religieuzen in de Aa of de Leigraaf, waar de abdij het visrecht bezat, aannemen en ontslaan van dienstpersoneel.

Ook lezen we dat de pachters van de abdijboerderijen kwamen vragen om een lagere pacht, maar daar was Moors niet van gediend. Hij wilde de betreffende pachter dan ontslaan, waarna deze doorgaans met hangende pootjes toegaf.

Normaal gesproken verbleef Moors in de abdij. De opheffing van de retorsie was zo belangrijk, dat hij daarvoor op 6 juli 1638 naar Brussel is gereisd, waar hij moest overleggen met de aartsbisschop van Mechelen, de kanselier van Brabant, de biechtvader van de kardinaal-infant en ten slotte met landvoogd kardinaal-infant Ferdinand van Oostenrijk zelf. Dat nam veel tijd in beslag. Eindelijk is Moors met de verkregen documenten op 8 augustus 1638 naar ’s-Gravenhage vertrokken om ook daar de opheffing van de retorsie te verkrijgen. Van 10 tot 25 augustus verbleef hij daar. Het resultaat was dat als de koningsgezinden de Meierij in wereldlijke zaken wilden overlaten aan hen, zij aan de clerus de geestelijke zaken zouden overlaten. Daarmee kon Moors naar huis gaan.

Deze uitgebreide reis had veel van Moors gevergd. Hij werd oud en ziekelijk, maar leidde de abdij met alle problemen nog volledig. Eind 1639 werd Joachimus Keijsers pastoor van Heeswijk, in wie Moors veel vertrouwen had. Mogelijk is dat de reden dat hij zijn memoriaal in 1640 niet voortzette. In 1668 werd Keijsers zelf abt.

De Nederlandse vertaling van het memoriaal van abt Moors is nu te raadplegen via de website van het BHIC. Het dagboek geeft een intrigerend inkijkje in het dagelijks leven van een katholieke geestelijke in een moeilijke tijd. Naast die strijd om het voortbestaan van de abdij bevat het dagboek nog veel meer. Zo lezen we hoe Moors met zijn medebroeders probeert om ondanks de steeds moeilijker wordende omstandigheden de zielzorg in de Meierij voort te zetten. maar ook wat het beheer van de abdijgoederen allemaal met zich meebracht, wie hem allemaal kwamen bezoeken, wat er zoal werd ingekocht en geconsumeerd, en nog veel meer.

Meer over abt Moors en zijn dagboek

Bronnen:

Reacties

Reacties laden…

Feedback geven

Wat vind je van deze pagina? We horen graag wat beter kan.

0 van 300 tekens gebruikt

Deel geen gevoelige gegevens, zoals je BSN, adres, telefoonnummer of medische informatie.