De bekendste gebeurtenis uit de Tachtigjarige Oorlog, misschien wel uit de Nederlandse geschiedenis, was de list met het Turfschip van Breda.
Aanleiding voor het uitbreken van de oorlog was de vervolging van de Hervormden door de Spaanse koning Philips II, tevens Heer van de Lage Landen. Een groot deel van het strijdtoneel heeft zich in West-Brabant afgespeeld. Ook de stad Breda heeft veel onder het oorlogsgeweld te lijden gehad. Dan was de stad in handen van de Spanjaarden, dan weer hadden de staatse troepen van de Prins van Oranje het er voor het zeggen. Nadat in 1581 de Spanjaarden de stad weer bezetten, heerste er grote armoede waardoor veel inwoners probeerden de stad te ontvluchten.

Het plan van Adriaan van Bergen
In 1589 zinde Prins Maurits er dan ook op om de stad weer terug te krijgen, maar hoe? Het toeval wilde dat de Prins enige turfschippers ontmoette, waaronder Adriaan van Bergen uit Leur.
Bij deze gelegenheid opperde Van Bergen, die regelmatig turf op het kasteel van Breda moest leveren, het idee om in het ruim van zijn schip onder de turf een aantal soldaten te verbergen en de vijand zo te verrassen. De Prins pleegde overleg met zijn raadsheer Johan van Oldebarnevelt en besloten werd het plan in het voorjaar van 1590 uit te voeren. Als aanvoerder van de 75 soldaten werd benoemd de Kamerijkse edelman Charles de Héraugière. Philips van Hohenlohe, een zwager van Maurits, zou met 300 soldaten buiten de stad wachten tot de poorten geopend werden om de stad binnen te vallen.
Het kasteel werd verdedigd door de Spaanse bevelhebber Lanciavecchia. Omdat Lanciavecchia bang was dat Maurits de strategisch belangrijk gelegen stad Geertruidenberg wilde aanvallen, besloot hij hier naartoe te gaan om te voorkomen dat de stad in handen van de Prins zou vallen. De verdediging van het kasteel liet hij over aan zijn zoon Paolo Antonio die bijgestaan werd door 50 soldaten.

Problemen bij het vertrek
Volgens plan zouden op zondag 25 februari 1590 de soldaten bij het Zwartenbergse Veer inschepen. Maar doordat schipper Van Bergen zich verslapen had (hij was waarschijnlijk dronken), kon de afvaart die dag niet doorgaan. Op maandagavond kon dan toch worden ingescheept en kropen de soldaten in het ruim, bedekt door opgestapelde turfblokken.
In die tijd was op de rivier de Mark nog sprake van eb en vloed en door het opsteken van een oostenwind moest het vertrek worden uitgesteld. Gelukkig hadden de soldaten bij het inschepen enige proviand meegenomen zodat uitstel van een dag geen problemen opleverde. Maar helaas kwam er geen kentering in de weersomstandigheden zodat het vertrek steeds moest worden uitgesteld. Door de barre weersomstandigheden, de ongemakkelijke verblijfsruimte en het ontbreken van voedsel was De Héraughière genoodzaakt de mannen na enige dagen van boord te laten gaan.

Pas op vrijdagavond, 2 maart om elf uur ’s avonds, kon weer worden ingescheept en vertrok men richting Breda. De andere dag omstreeks twee uur bereikte het schip het Reigersbos, waar het door een Italiaanse huursoldaat in Spaanse dienst werd gecontroleerd. Gelukkig wisten de mannen zich in het ruim stil te houden en na de lading gecontroleerd te hebben, verliet de Italiaan het schip. Later zou hij in Brussel worden onthoofd. Door de lage waterstand kon men niet door de sluis en moest gewacht worden op hoog water. Ook had het schip averij opgelopen waardoor water tot op kniehoogte het ruim in liep en enige soldaten in paniek raakten. Gelukkig wist De Héraughière de rust terug te brengen.
Aankomst en bestorming van het kasteel
Eindelijk kon het schip naar binnen en werd direct met lossen van de turf begonnen. Dat ging echter zo snel dat de soldaten door de planken de buitenlucht al zagen. Een van de drie aanwezige schippers ging tot handelen over om erger te voorkomen. Hij sprak de Spaanse soldaten aan die aan het lossen waren en probeerde hen te bewegen ermee te stoppen. Die avond werd carnaval in de stad gevierd en waarom zouden zij zich niet in het feestgedruis storten, de rest van de turf kon ook morgen nog gelost worden. Daar hadden ze wel oren naar en zij gingen de stad in.

Van de drie schippers mocht er echter maar één aan boord blijven, twee moesten het schip verlaten. Eén van hen verliet ongemerkt de stad en liet van Hohenlohe weten dat hij met zijn 300 soldaten kon oprukken. Eindelijk om elf uur ’s avonds gaf De Héraughière het bevel het schip te verlaten. De groep werd in tweeën gesplitst, de ene viel het kasteel aan en De Héraughière ging naar de buitenpoort. Vanuit het kasteel deed Paolo Antonio Lanciavecchia met 36 man nog een vergeefse uitval waarbij hijzelf gewond raakte. De burgers van de stad die bevreesd waren voor plundering, probeerden de ophaalbrug van het kasteel nog in brand te steken, echter tevergeefs.
Om twee uur ’s nachts kwam van Hohenlohe via de sluis het kasteel binnen om daarna samen met de bemanning van het turfschip de stad binnen te rukken. Er was weinig weerstand, de nog aanwezige Spaanse soldaten in de stad sloegen op de vlucht. De stad werd bevrijd en was weer in handen van de Staatse Troepen van Prins Maurits. De schippers uit Leur werden later rijkelijk beloond.

Nb.: Er circuleren vele verschillende versies over het Turfschip van Breda in de vorm van geschiedkundige publicaties, toneelstukken, gedichten en liederen. Gekozen is voor de meest gangbare versie. Eén van de oudste publicaties is Histoire Memorable de la reprinse de la ville et chasteav de Breda, av pays de Brabant, Au Mois de Mars, 1590’ (met vignet). ‘Middelbovrgh, Chez Richard Schilders, Imprimeur des Estats de Zelande, 1591. Deze publicatie bevindt zich in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag.

Geraadpleegde literatuur
- R. Rijpert, Het Turfschip van Breda (Breda, 1990) [infobrochure]
- Histoire Memorable de la reprinse de la ville et chasteav de Breda, av pays de Brabant, Au Mois de Mars, 1590, Middelbovrgh, chez Richard Schilders, Imprimeur des Estats de Zelande, 1591 [Nederlandse vertaling]
