In de 18e eeuw trachtte men het verschijnsel van bedelarij tegen te gaan of ten minste binnen de perken te houden. De armoede in Brabant was zeer hoog, zo ook te Sint-Oedenrode. Op 30 augustus 1775 werd op het raadhuis te Sint-Oedenrode in de Oude Vrijheid door schepenen van Sint-Oedenrode een vergadering gehouden.
Er kwam een lijst op tafel
Tijdens deze vergadering werd er bepaald dat bij het vragen om een aalmoes aan bepaalde regels voldaan moest worden. Er werd een lijst gemaakt waarop de namen stonden van arme personen aan wie permissie werd gegeven om een aalmoes te vragen. Deze armen kregen van de hoge heren ook de opdracht om een certificaat en een bedelpenning bij zich te dragen, dat aan de armen werd overhandigd.
Deze penningen waren vaak van koper gemaakt. Op de penningen van Sint-Oedenrode stond het wapen van de vrijheid met het opschrift Sint Oden Rode en dat alles ingevolge Plakkaat van de Staten-Generaal dato 14 juli 1775.
Het certificaat en penning
Het certificaat hield in, dat degene die het plakkaat en de penning bij zich droegen afkomstig en geboren inwoners van de Oude Vrijheid moesten zijn. Vanwege hun ouderdom, lichaamsgebreken of anderszins waren zij niet in staat hun kost te winnen.


Wie waren die arme luitjes?
Dat waren rond 1775:
- Francis van Stiphout,
- Jenneke Jan Rijkers, de huisvrouw van Johannes van der Schoot geboren in Sint-Oedenrode en wonende te Best,
- Johanna Daniels van der Voorde,
- Willem Gerit van de Mosselaer en
- De weduwe Gerit van de Meulengraaf.
Waar en wanneer mocht er gebedeld worden
Het bedelen was aan bepaalde regels gebonden en er mocht maar op een aantal dagen in de week om een aalmoes gevraagd worden.
Daarom werd het aan die armen geoorloofd te bedelen op de maandag binnen het Centrum de Oude Vrijheid en het gehucht Eerd en Everse. In het gehucht Bos en Varenhout mocht dat op woensdag, op donderdag in Olland en Houtem, op zaterdag was Nijnsel en Vressel aan de beurt. Dit alles mocht alleen plaats vinden als zij het plakkaat van 14 juli en het koperen teken op de borst bij zich droegen en dat alles tot zolang de hoge heren het nodig vonden.
Het besluit werd ondertekend door J. W Nouhuijs, schepen loco
H. Ernest – Jacob van Outeren – C v. Santvoort – Goort Hurx – G. van Baar
Bronnen
BHIC Brabants Historisch Informatie Centrum
Op de Penning. ‘Penningen uit Brabant en hun maatschappelijke Functie’, uitgever Noordbrabants Museum, 1976
