Dit is een uitvoerig verhaal over een op allerlei gebieden kleurrijke en avontuurlijke jongeman, geboren in Waalwijk. Maar hij woonde ook verschillende jaren in Heusden. Deel 12 van een verhaal in 14 delen.
Lees ook de andere afleveringen
Verblijf in Konstanz
Paul krijgt verlof om zijn vrouw op te halen, die nog steeds in Douai woont. Omdat hij bang is dat hij in Frankrijk zal worden opgepakt huurt hij iemand in om haar daar op te halen, wat uiteindelijk ook lukt. De troepen worden dan gereorganiseerd en omdat er teveel officieren zijn, vervallen er veel functies. Ook Paul verliest zijn functie, de aanwezige Franse officieren hebben de voorkeur.
Dan krijgen ze het bevel om naar Konstanz, gelegen aan de Bodensee, te vertrekken. Op 3 oktober 1793 komen ze daar aan, terwijl ze op 8 september waren vertrokken. Samen met zijn Anna geniet Paul van het uitzicht als ze Konstanz naderen, de wijnbergen, de Rijn, het maakt een grote indruk op hen. Ze nemen aanvankelijk hun intrek in de bovenverdieping van het logement Meyer. Door toedoen van de logementhouder kan Paul een woning huren. Hij verkoopt zijn paard en van dat geld kan hij zijn huis inrichten met meubels.

In Konstanz verblijven veel uitgeweken Fransen, vooral edellieden en geestelijken. Verschillende edellieden zijn een bedrijf begonnen, zoals een modewinkel, schoenmakerij, een parfumeriewinkel e.d. Met die Fransen heeft Paul veel contact en er ontstaan goede vriendschappen. Konstanz en omgeving worden tijdens zijn vele wandelingen uitvoerig bekeken.
Net als iedere inwoner van Konstanz betaalt Paul voor een abonnement op een geneesheer. Ziek of niet, elke week komt die op bezoek! Verder gaat Paul op Duitse les en gaat hij zijn Franse taal verder verbeteren door het lezen van Franse literatuur. Op aanraden van enkele vrienden heeft Paul in zijn huis een “Faro trente et une” bank (gokspel) ingericht. Daarvoor wordt een grote tafel, bedekt met een fijn groen laken, in de voorkamer van zijn huis opgesteld. Er worden twee mannen aangesteld om de bank te bedienen, Paul ontvangt voor elke dag dat de bank geopend is een Louis d’Or (gouden munt). Hiervan krijgt de huisbaas een kroon en de bedienden ieder een halve kroon. De bank wordt druk bezocht maar wordt al snel gesloten als Paul te horen krijgt dat dit verboden is.
Paul vindt dan weer een ander tijdverdrijf, hij gaat vinken vangen met netten en hij leert zich een manier aan om koolmezen, die daar veel voorkomen, te vangen. Soms gaat hij met een kruisnet, dat hij heeft laten maken, vissen in de Rijn. Een zeeofficier die daar verblijft heeft met hulp van o.a. Paul een klein fregat gebouwd. Daarmee gaan ze varen op de Bodensee. Met zijn vrouw bezoekt hij de schouwburg, concerten en de danszalen. Paul gaat daarnaast een deel van Zwitserland bekijken met o.a. een uitstapje naar Zürich, waar hij bekenden bezoekt, en Basel.
Op 5 mei 1794 is zijn vrouw in Konstanz bevallen van een dochter, die in de protestantse kerk gedoopt wordt met de voornamen Euphemia Alexandrina.
Ondanks het verbod om te jagen en het strenge toezicht van de boswachters lukt het Paul en zijn vrienden om af en toe een haas o.i.d. te schieten in de omringende bossen. Maar ze vinden het maar klein bier en ze besluiten een grote jachtpartij te gaan houden. Midden in de nacht, om ca. 1 uur, gaan ze met 14 man op pad. Al snel wordt er een ree geschoten. Maar dan worden een paar jagers omsingeld door boswachters en opgetrommelde boeren. Op het roepen van hun metgezellen snellen de anderen toe en als ze gaan schieten vluchten de boeren en de boswachters. Ze verzamelen de weggegooide geweren en nemen de beste geweren mee, de rest verstoppen ze onder bladeren. Thuis wachten ze in spanning af wat er nu gaat gebeuren. Iedere officier moet zich melden en ze moeten op woord van eer verklaren of ze deelgenomen hebben aan de jachtpartij. Alle daders blijven over, de rest mag naar huis en ze moeten na bang afwachten en na een uitgebreide reprimande, alle geweren terugbezorgen. Hiermee was het jagen in de bossen meteen afgelopen; de geschoten ree werd nog wel opgehaald en opgegeten.
In hetzelfde jaar 1794 krijgt Paul het bericht dat zijn opa, die na de dood van zijn vader voor hem gezorgd heeft, op 26 september is overleden. Paul heeft toch wel moeite met het ontvangen bericht. Zijn opa, die zo goed voor hem probeerde te zorgen, is er niet meer. Hij wordt er zwaarmoedig van, hij zit vol met schuldgevoelens. Zelfs een tocht met een vriend van een dag of zes door de omgeving helpt hem niet van zijn zwaarmoedigheid af. Hij wordt ziek en op aanraden gaat hij met nog een zieke officier voor herstel naar het kuuroord Imnau in het Zwarte Woud. Naast de bronnen met mineraalwater zijn er ook casino’s en er wordt dus daar gegokt. Paul kan zijn goklust niet weerstaan en verliest als snel veel geld bij het dobbelen met twee uitgeweken Franse edellieden. Maar Paul ontdekt dan dat ze valsspelen en hij krijgt al zijn verloren geld terug.
Na een verblijf van zes weken keert Paul, hersteld van zijn ziekte, terug naar Konstanz. Op de terugweg komt hij door Schaffhausen en gaat daar de bekende watervallen bewonderen. Kort daarna krijgen Paul en de andere officieren, na bijna twee jaar verblijf in Konstanz, het bevel om op te breken. De oprukkende Franse generaal Moreau drijft de Oostenrijkers voortdurend terug. Daarom reizen ze af naar Klagenfurt in Karinthië. Op weg naar Innsbruck worden ze echter bij het oversteken van een bergpas overvallen en gevangengenomen omdat de Tirolers hen als verklede Fransen aanzien in plaats van Oostenrijkse militairen. Na veel gedoe mogen ze uiteindelijk hun tocht door Beieren richting Salzburg vervolgen. Na een verblijf van twee dagen in Salzburg trekken ze verder. Via Linz aan de Donau komen ze uiteindelijk in Stein aan. Paul en zijn vrouw betrekken een woning vlakbij de Donaubrug. Zo ziet hij daar schepen volgeladen met graan langsvaren. De schepen worden getrokken door heel veel paarden omdat de schepen stroomopwaarts varen.

