Dit is een uitvoerig verhaal over een op allerlei gebieden kleurrijke en avontuurlijke jongeman, geboren in Waalwijk. Maar hij woonde ook verschillende jaren in Heusden. Deel 8 van een verhaal in 14 delen.
Lees ook de andere afleveringen
Trouwen met hindernissen
Intussen is Drossers naar Scholt gegaan omdat Drossers niet weet waar Anna is. Scholt en Drossers hebben het vermoeden dat Paul en Anna samen gevlucht zijn en Drossers gaat naar haar ouders in Breda om die op de hoogte stellen. Intussen zitten Paul en zijn liefje in Den Bosch in het logement “de Zwaan”, gelegen aan de Pensmarkt. Ze komen daar een jonge zeekapitein met een meisje tegen die in dezelfde situatie zitten als Paul en Anna. Zij gaan naar Kleef, vertellen ze. Wij gaan naar Bokhoven zegt Paul, want daar ben je net zo vrij als in Kleef. Met een bootje varen ze naar Bokhoven. Daar schrijven ze een brief naar haar ouders en naar de opa van Paul, waarin ze vragen om vergiffenis voor hun misstap en om toestemming voor een huwelijk.
Zij laten op 9 maart 1791 door de schepenen van Bokhoven een akte opmaken waarin Paul verklaart dat hij binnen 3 weken met Anna zal trouwen en dat hij al haar eventuele schulden zal overnemen. Waarom deze akte is opgemaakt is niet duidelijk, maar nadat er getrouwd is komt de waarheid aan het licht. In mijn ogen is hij door Anna, en waarschijnlijk ook door haar vader - zoals later zal blijken - bij de neus genomen. Dit staat uiteraard niet in zijn memoires.

Korte tijd later komt een broer van Anna met haar moeder de schriftelijke toestemming voor het huwelijk brengen. Paul krijgt van zijn opa eveneens schriftelijke toestemming. Ze vertrekken nu naar Waalwijk en gaan daar in ondertrouw. Ze keren dan terug naar Heusden en Paul gaat in Herpt bij Verhoeven logeren en Anna bij Van Grevenbroek. Op de dag van het huwelijk (17 maart 1791) ontmoet Paul zijn schoonvader in Waalwijk, die hem dan een kinderdief (Anna is dan 21 jaar en nog niet meerderjarig) noemt en hem voorziet van de nodige vermaningen en berispingen. Na het huwelijk vertrekken ze met zijn allen naar Breda, en Paul en zijn vrouw huren daar een huis.

Op 3 mei 1791 wordt er bij een notaris in Breda een akte opgemaakt. In deze akte is opgenomen, onder verwijzing naar de akte uit Bokhoven, dat Paul de eerste belofte, namelijk trouwen met Anna is nagekomen. Als een man van eer komt hij ook zijn tweede belofte na. De schulden betalen die door zijn vrouw Anna gemaakt zijn bij leveranties door winkeliers e.d. tot een bedrag 1.240 gulden. Verder aan de vrouw van Hendrikus van de Goorberg 250 gulden, en een bedrag van 200 gulden dat door zijn schoonvader is voorgeschoten voor de betaling aan Arnoldus van der Pluijm. Anna verklaart verder dat haar ouders of het gezin geen voordeel hebben gehad van haar winsten van haar handeltje (negotie). Niet duidelijk is wat die handel dan wel is geweest, waarschijnlijk verkocht ze kleding.
Ze heeft volgens de akte ook nooit bijgedragen in de kosten van huis- of kamerhuur. En de naaisters die voor haar modes naaiden hebben meegegeten aan de tafel van haar ouders, en Anna heeft daarvoor nooit iets betaald. Haar vader heeft nooit geweten dat Anna schulden heeft gemaakt en dat Anna in november 1790 bij de kooplieden “Ines en compagnie” voor 1.240 gulden heeft ingekocht. Enkele dagen later is een van die kooplieden in het huis van haar vader gekomen en haar vader, die van niets wist, heeft Anna bij zich geroepen. Haar vader geloofde haar omdat zij beloofde voor betaling te zorgen. De 250 gulden, te betalen aan de vrouw van Hendrikus van de Goorberg betreft een kwitantie die door haar moeder is getekend, maar Anna heeft het geld ontvangen.
Alles bij elkaar een voor die tijd aanzienlijk bedrag (1.690 gulden) dat Paul moet ophoesten. Volgens mij is zijn schoonvader op deze manier verlost van de fikse schuld die zijn minderjarige dochter heeft gemaakt. Het is bijna onmogelijk dat ze ongemerkt, zoals er beweerd wordt, zulke grote schulden heeft gemaakt. Ook opmerkelijk is dat Anna als minderjarige bij Drossers in Waalwijk verblijft. Het ruikt sterk naar kwade opzet. Te meer omdat er met Gerardus Christy iets opmerkelijks aan de hand is.

In een memorie van 9 januari 1788 van Mr. H.J. van Oldenbarneveld, genaamd de Witte Tullingh, gericht aan de Staten Generaal is opgenomen dat een zekere Paulus Heermans, die vier jaren geleden door de Heer of Vrouwe der heerlijkheid Waalwijk tot secretaris ad vitam was aangesteld, toen om permissie heeft gevraagd om een zekere J.C. de Villeneuve tot substituut-secretaris te mogen aanstellen; Heermans zou officier zijn in het legioen of korps van de Rhyngrave van Salms zowel in Utrecht als in Heusden en hij zou luitenant zijn in dienst van de Koning van Frankrijk en genoemde Villeneuve zou hoofd en commandant zijn geweest van een genootschap wapenhandel te Waalwijk opgericht. Na een discussie over het secretarisambt zou dit aan een ander gegeven moeten worden. Voorgesteld wordt dat ambt te geven aan de huidige rentmeester van de Heer of Vrouwe van Loon op Zand, zijnde de deurwaarder van de Raad van Brabant Gerardus Chrystie, die in Breda woont.
Villeneuve was al waarnemer en is waarschijnlijk vanwege het bovenstaande niet aangesteld als secretaris, maar Gerard Crystie, de latere schoonvader van Paul, ook niet want P. van de Poel wordt de nieuwe secretaris.
In 1793 volgt er nog een proces tegen Crystie (opent in een nieuw tabblad) wegens het verzaken van de ambtseed tijdens de bezetting van Breda door de Fransen in 1793. Het is een omvangrijk procesdossier van ca. 139 pagina’s. Hij heeft zelfs in huisarrest gezeten.
