De Beerse Maas heeft voor de bewoners van de gebieden langs de Maas eeuwenlang meer voor overlast gezorgd dan voordeel opgeleverd.
Vooral voor vroegere bewoners, in de tijd dat er nog geen dijken langs de Maas waren aangelegd, moet dat veel ongemak met zich mee hebben gebracht. Om het water enigszins binnen de perken te houden, zijn rond de Middeleeuwen de oevers langs de Maas van dijken voorzien. Om grotere hoeveelheden water te kunnen verwerken, zijn deze dijken op behoorlijke afstand van de rivier aangelegd. Zodoende ontstonden de uiterwaarden. In latere jaren is besloten openingen in de dijk te maken, of de dijken te verlagen om de waterdruk op de dijken te verminderen. Zo ontstonden overloopgebieden, gebieden die bij hoog water onderwater kwamen staan. Deze overloopgebieden werden ‘overlaten’ genoemd. De beslissing aan welke kant van de rivier de overlaat werd gemaakt, was van groot belang. In dit geval ging het om de Brabantse of Gelderse kant. Er zullen zeker zwaarwegende motieven zijn aangevoerd om de uitsparingen aan de Brabantse zijde te realiseren.
Eén van deze voorzieningen werd aangelegd tussen de vroegere gemeenten Linden en Gassel en kreeg de - niet-voor-de-handliggende - aanduiding ‘Beerse Overlaat.’ Tot 1922 werkte deze overlaat bijna elk jaar en soms zelfs meerdere keren per jaar. Omdat de wateroverlast aan de Brabantse kant erg groot was, kwamen jarenlang klachten binnen bij de hiervoor verantwoordelijke instanties, de waterschappen. Na vele studies en rapporten over de waterstanden en invloeden hierop, werd uiteindelijk in 1922 besloten om de Beerse Overlaat met een halve meter te verhogen. Men had daarbij berekend, dat het aantal keren dat het rivierwater over de overlaat zou gaan, daarmee tot de helft zou worden teruggebracht. Dat betekende al een hele verbetering voor de bewoners, gelegen in de traverse van de Beerse Maas, ruwweg gelegen tussen Cuijk en Waalwijk.

Maar in de winter van 1925-1926 ging het al mis. De Beerse Overlaat was al op 30 december 1925 bij een waterstand van 10,86 +NAP in werking getreden. Op Oudejaarsdag ontstond in de vroege morgen een dijkdoorbraak tussen Overasselt en Nederasselt, dus aan de Gelderse zijde van de Maas. Men ging al snel uit van de veronderstelling dat de drempelverhoging van de overlaat in 1922 hiervan de oorzaak was. Voornamelijk door de harde wind joegen de golven over de dijk. Deze werd week en brokkelde af, zodat er een groot gat ontstond en het water ongehinderd het gebied van het Land van Maas en waal kon binnenstromen.

De overstroming van 1925-1926 was aanleiding voor het Rijk om aan ingenieur C.W Lely opdracht te geven om een ontwerp te maken voor de kanalisatie van de Maas. Doel daarvan was, dat de Maas onder andere door bochtafsnijding een groter waterafvoerend vermogen zou krijgen. De kanalisatie van de Maas kwam gereed eind dertiger jaren. Na het gereed komen van stuw- en sluizencomplexen te Lith en te Grave, werden de bijkomende werkzaamheden verricht, zoals het verwijderen van kribben, het dempen van strangen (nevengeulen in de rivier) en het versterken en ophogen van de dijken. Deze werkzaamheden werden in werkverschaffingverband uitgevoerd.
Om aan voldoende kleigrond te komen werd tussen Linden en Katwijk in een weiland van Bardoel een gat gegraven van 100 bij 100 meter. Hierdoor ontstond, vrij kort achter de dijk, een behoorlijk binnenwater, dat in de volksmond het ‘Gat van Geluk’ werd genoemd. Spoedig werd dit water door onder andere de Beerse jeugd gebruikt als zwem- en schaatsgelegenheid. Na het gereed komen van alle genoemde werken, werden in de jaren erna studies verricht hoe het Maaswater zich zou gedragen na overvloedige wateraanvoer. Nadat men daarover voldoende zekerheid had verkregen, werd de Beerse Overlaat tot het gewenste peil verhoogd. Deze werkzaamheden kwamen in augustus 1942 gereed. In 1950 werd door Jan de Quay het Overlaatmonument, dat werd ontworpen door Peter Roovers, onthuld. De tekst op dit monument is algemeen bekend, maar ik geef deze volledigheidshalve toch even weer.
Geen beter bate dan de kost
Die ons van de overlast verlost
En van de Beerse Overlaat
Niet dan ’t gedenken overlaat

Het monument, dat halverwege tussen Beers en Gassel staat, werd al gauw populair bij de bevolking. De drie figuren op de sokkel, die de dijkwerkers voorstellen, waren markante dorpsfiguren uit Beers. De middelste, een grote, rijzige en oersterke man, die een zandzak op zijn schouder neemt, is Hubert Hendriks. Hij was schoenmaker en woonde aan de oude provinciale weg naar Cuijk. De persoon links was de linker buurman van Hendrik, Thij van Raaij. De persoon rechts was de rechter buurman van Hendriks te weten Lenard van Wijchen.
Bij calamiteiten moesten vroeger door de burgerij hand- en spandiensten worden verricht ten behoeve van de gemeenschap. De drie hierboven genoemde personen waren er dan meestal bij.
Uit: H.S. Ebben, De eerste vijfentwintig jaar van mijn leven in Beers aan de Maas (2010)




