Direct naar de inhoud

Let op! Dit is de beta website van BHIC. Reacties die je hier achterlaat, gaan verloren na officiële livegang.

Terug naar overzichtOverzicht
De bittere strijd van een Vughtse inspecteur om eerherstel

De bittere strijd van een Vughtse inspecteur om eerherstel

Bert Oomen

28 mei 2025

Bijgewerkt op 28 mei 2025

Na de oorlog vond de bestraffing van de daders in Nederland plaats in het kader van de ‘Bijzondere Rechtspleging’. Al tijdens de oorlog had de Nederlandse regering in ballingschap hierin vastgelegd wat strafbaar was en welke straffen de rechter ter beschikking stonden, waarbij ook de doodstraf opnieuw was ingevoerd.

Met de zwaardere straffen in het algemeen en de doodstraf in het bijzonder hoopte de regering een bijltjesdag te voorkomen. Ze had een viertal besluiten genomen, te weten ‘Buitengewoon Strafrecht’, ‘Bijzondere Gerechtshoven’, ‘Buitengewone Rechtspleging’ en het ‘Tribunaalbesluit’. Na de bevrijding van Nederland werden negentien tribunalen, vijf Bijzondere Gerechtshoven en een Bijzondere Raad van Cassatie ingesteld.

Bijzondere Rechtspleging

Door het Bijzondere Gerechtshof in Den Bosch zijn vier SS’ers berecht, die in het concentratiekamp Vught werkzaam waren geweest. Ze werden na hun veroordeling al snel overgedragen aan Duitsland. Tot de zware gevallen die door de bijzondere gerechtshoven behandeld werden, behoorden ook twee Nederlandse Aufseherinnen die in kamp Vught betrokken waren bij het bunkerdrama, waarbij elf vrouwen om het leven waren gekomen. Suze Arts werd op 20 februari 1948 door het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam tot vijftien jaar gevangenisstraf veroordeeld, en Katja Schot door het Bijzonder Gerechtshof in Den Bosch tot twintig jaar. Naast deze twee is er in het kader van de Bijzondere Rechtspleging onderzoek gedaan naar de andere Nederlandse Aufseherinnen die werkzaam waren in kamp Vught. Tegen geen van de bij kamp Vught betrokken vrouwen werd de doodstraf geëist, zes kregen straffen van tien tot twintig jaar, acht een straf die niet hoger was dan drie jaar en vijf vrouwen kregen een voorwaardelijke straf.

Persoonlijke vetes

Bij de Bijzondere Rechtspleging is echter ook veel misgegaan. Talloze malen is van het instrument gebruik gemaakt om persoonlijke vetes uit te vechten. Een voorbeeld hiervan is de naoorlogse rechtsgang van F.M.C. Offermans, de inspecteur die in de eerste oorlogsjaren leiding had gegeven aan het Vughtse politiekorps. Bij aanvang van de bezetting had Offermans, conform de Aanwijzingen van de Regering uit 1937, tegenover de bezetter een neutraal correcte houding betracht. Toen de repressie toenam was hij echter Joden aan gaan sporen om onder te duiken en na de komst van het concentratiekamp in Vught had hij zich intensief ingespannen voor hulp aan de gevangenen. Doordat hij ook openlijk een steeds kritischer houding was gaan aannemen tegenover de bezetter, was hij per 15 juni 1943 door Rauter ontslagen. Hij was opgevolgd door G.M. van Ravenzwaay, lid van de N.S.B., van de Germaanse SS, overtuigd antisemiet en al snel een van de meest gehate openbare figuren in Vught.

F.M.C. Offermans
F.M.C. Offermans (foto: collectie Nationaal Monument Kamp Vught).

Aanklacht tegen Offermans

Tijdens de bevrijding van het Zuiden werd Offermans in oktober 1944 geconfronteerd met een rapport van de Binnenlandse Strijdkrachten, waarin hij verdacht werd van pro-Duitse gezindheid. De beschuldiging bleek te zijn geuit door M. Reijner, die tijdens de bezetting enige tijd als volontair op het politiebureau in Vught had gewerkt. Reijner was lid geweest van het Nationaal Front, maar had van Offermans geen enkele ruimte gekregen voor pro-Duitse handelingen. In zijn aanklacht draaide Reijner de rollen om: niet hij maar Offermans zou pro-Duits zijn geweest. Offermans stelde een uitgebreid rapport op, waarin hij zijn eigen houding en daden tijdens de bezetting nader toelichtte en wees op de onbetrouwbaarheid van Reijner. Op 10 april 1945 werd Offermans echter tot veler verbazing door het Tribunaal voor het Arrondissement ’s-Hertogenbosch in staat van beschuldiging gesteld. Hij zou tijdens de bezetting steun hebben verleend aan de vijand. Op 16 april 1945 werd hij door het Tribunaal verhoord. Offermans ging uitvoerig in op de onjuistheid van de aanklacht en wees nogmaals op de onbetrouwbaarheid van de aangever. Na de zitting werd het stil en hij verwachtte dan ook dat de zaak hiermee was afgedaan.

Nieuw verhoor en zuivering

Op 22 augustus 1945 werd Offermans echter opnieuw gehoord, nu door twee Rijksrechercheurs. Er bleken door Reijner en twee anderen klachten tegen hem te zijn ingediend, die ook al waren doorgestuurd naar het Bureau Zuivering van de Afdeling Politie van het Departement van Justitie. Na het verhoor stelde Offermans voor het Departement een uitvoerig rapport op over wat er werkelijk was voorgevallen, waarbij hij nadrukkelijk wees op de onbetrouwbaarheid van de klagers. Weer verwachtte hij dat de zaak nu zou zijn afgedaan. Het Ministerie van Justitie concludeerde echter dat Offermans in ernstige mate tekort was geschoten in het betrachten van de juiste houding in verband met de bezetting en dat er tegen hem een zuiveringsmaatregel getroffen moest worden. Bij Zuiveringsbesluit nr. 226 d.d. 22 november 1945 werd hij voor drie jaar uitgesloten van bevordering en moest hij worden overgeplaatst. Waar Offermans de maatregel volkomen onterecht vond, probeerde hij deze bij het Ministerie aan te vechten. Toen dit niet tot resultaat leidde, wendde hij zich tot het Bijzonder Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

Justitie houdt vast aan oordeel

De bij het Hof ingebrachte getuigenissen over Offermans waren zonder uitzondering positief. Van collega’s, van verzetslieden en van vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap kwamen verklaringen die zijn betrouwbaarheid, vaderlandsliefde, hulpvaardigheid, moed en eerlijkheid onderstreepten. Op 31 juli 1946 besliste het Bijzonder Gerechtshof dan ook dat Offermans “onvoorwaardelijk” buiten vervolging moest worden gesteld.

Deze ondubbelzinnige uitspraak was voor het Ministerie van Justitie echter geen reden om het eerdere Zuiveringsbesluit te herzien. Voor Offermans begon hiermee een jarenlange en steeds bitterder wordende strijd om eerherstel. Ondanks herhaalde verzoeken werd het tegen hem getroffen Zuiveringsbesluit niet opnieuw bekeken. Ook werd hem heel lang geen inzage verleend in zijn dossier. Pas op 23 september 1954 werd het omstreden Zuiveringsbesluit door de dan in functie zijnde Minister van Justitie Mr. L.A. Donker ingetrokken. Voor herstel van de misgelopen bevorderingen en compensatie van gederfde inkomsten heeft Offermans echter nog moeten wachten tot 1 januari 1956.

Het persoonsdossier van Offermans bevindt zich in het archief van het BHIC. Zijn geschiedenis komt voor in het boek ‘Kamp Vught 1942 – 1944, Daders en Drijfveren’, in mei verschenen bij Walburgpers.

Reacties

Reacties laden…

Feedback geven

Wat vind je van deze pagina? We horen graag wat beter kan.

0 van 300 tekens gebruikt

Deel geen gevoelige gegevens, zoals je BSN, adres, telefoonnummer of medische informatie.

De bittere strijd van een Vughtse inspecteur om eerherstel | BHIC