Klompen behoren al eeuwenlang tot de Nederlandse cultuur. Archeologische vondsten tonen aan dat houten schoenen al in de elfde eeuw werden gedragen, terwijl het ambacht van klompenmaker zeker 800 jaar oud is. Hoewel houten schoenen in grote delen van Europa voorkwamen, groeide de klomp in Nederland uit tot een nationaal symbool, naast de molen en de tulp. Opmerkelijk is dat het ambacht, ondanks zijn lange geschiedenis en maatschappelijke betekenis, nooit officieel is erkend als immaterieel erfgoed.

De Meierij en de grondstoffen
In Noord-Brabant, en met name in de Meierij, ontwikkelde de klompenmakerij zich in de negentiende eeuw tot een belangrijke vorm van plattelandsnijverheid. Doorslaggevend was de ruime beschikbaarheid van geschikt hout. Vooral populierenhout, in het bijzonder de Canadapopulier, was bij uitstek geschikt: het groeide snel, had weinig zijtakken en een gelijkmatige structuur. Klompenmakers vestigden zich daarom vooral in gebieden met veel populieren, zoals rond Best, Schijndel en Sint-Oedenrode. Het hout werd doorgaans lokaal aangekocht en vervoerd met een mallejan.

(bron: Dagblad van Noord-Brabant,
20 augustus 1902, via: Delpher.nl)
Het vervaardigen van klompen was zwaar en specialistisch handwerk. Het productieproces omvatte onder meer zagen, kloven, kappen, uithollen, schrapen en drogen. Hiervoor gebruikte men specifieke gereedschappen zoals de hakbijl, dissel, het paalmes, boren en schrapmessen. Klompen werden gemaakt van vers hout en moesten weken tot maanden drogen voordat zij werden afgewerkt of beschilderd. De vorm en versiering verschilden per streek. De levensduur was beperkt: bij intensief gebruik waren klompen vaak binnen één tot anderhalve maand versleten.
Seizoensarbeid en kleinschalige bedrijven
Voor veel klompenmakers was het ambacht geen hoofdberoep, maar een seizoensmatige nevenactiviteit, vaak gecombineerd met een klein boerenbedrijf of ander werk. De meeste werkten zelfstandig of met hulp van gezinsleden; het inzetten van knechten kwam minder vaak voor. De werkplaatsen waren eenvoudig en meestal in of bij de woning gevestigd. Veel bedrijfjes stonden niet officieel geregistreerd en vielen buiten de belastingheffing, waardoor beschikbare statistieken onvolledig zijn.
Uit cijfers uit het midden van de negentiende eeuw blijkt dat Noord-Brabant tot de provincies met de meeste klompenmakers behoorde, maar dat de concentratie in West-Brabant relatief laag was. In de gemeente Rucphen stonden in 1859 slechts twee klompenmakerijen geregistreerd, beide zonder personeel. Ook in latere perioden bleef het aantal bedrijven en arbeiders hier beperkt, in tegenstelling tot de Meierij.

(bron: Wikipedia / Publiek Domein (opent in een nieuw tabblad))
Mechanisatie en toenemende concurrentie
Rond 1900 deed de mechanisatie voorzichtig zijn intrede. De eerste machines verhoogden de productie, maar veroorzaakten ook veel uitval. Pas na 1909 kwamen beter bruikbare en betaalbare machines beschikbaar voor kleinere bedrijven. Toch bleef handwerk lange tijd dominant. Gebrek aan kapitaal, technische kennis en investeringsbereidheid speelde daarbij een belangrijke rol, evenals de sterke invloed van familietraditie en kleinschaligheid.
De economische positie van klompenmakers was zwak. De werkweek bedroeg gemiddeld 66 uur, tegenover lage inkomsten. Concurrentie kwam zowel uit België, waar goedkoper werd geproduceerd, als uit de snel industrialiserende schoenindustrie. Vooral na 1900 werden klompen steeds vaker verdrongen door leren schoenen.
Oorlogsjaren en tijdelijke opleving
Tijdens de Eerste Wereldoorlog beleefde de klompenmakerij een tijdelijke opleving. Door schaarste aan schoenen, het wegvallen van Belgische import en een toenemende vraag nam de productie toe. De overheid stelde maximumprijzen vast en voerde distributiemaatregelen in. Na de oorlog keerde de buitenlandse concurrentie echter snel terug en volgde een scherpe neergang. Het zogeheten klompenwetje van 1928, dat invoerrechten verhoogde, bood slechts beperkte bescherming.
In de jaren dertig werd verdere mechanisatie afgeremd door economische crisis, werkloosheid en de opkomst van goedkope rubberschoenen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog nam de vraag naar klompen opnieuw toe door schaarste aan schoeisel. De overheid reguleerde prijzen en houtdistributie. Ook in Rucphen was sprake van grote klompennood, die deels werd opgevangen via distributie en het inzetten van in beslag genomen smokkelwaar.

wilgenbomen door Cornelis van Zon. (Afbeelding: Delpher,
Dagblad van Noord-Brabant, 6 juni 1908)
De definitieve neergang
Na 1945 zette de definitieve teloorgang van het ambacht in. De productie werd volledig gemechaniseerd en het aantal handwerkers daalde snel. In 1950 was het aantal klompenbedrijven en werkzame personen meer dan gehalveerd ten opzichte van 1930. Klompen verloren hun functie als dagelijks schoeisel en werden een nicheproduct.
De neergang werd veroorzaakt door een samenloop van factoren: lage winstmarges, seizoensgebonden productie, beperkte investeringen, trage mechanisatie, buitenlandse concurrentie en de opkomst van de schoenindustrie. Wat eeuwenlang een belangrijke bron van bestaan was, verdween in enkele decennia vrijwel volledig. Tegenwoordig zijn er nog slechts enkele professionele klompenmakers, vooral gericht op toerisme, naast een beperkt aantal hobbyisten. Musea en erfgoedinstellingen houden het ambacht levend via demonstraties en educatieve activiteiten.

te Zegge (foto: collectie Peter de Bakker)
Klompenmakers in de gemeente Rucphen
In West-Brabant, en specifiek in de gemeente Rucphen, werd het klompenmakersambacht kleinschalig uitgeoefend en vaak gecombineerd met ander werk. Personen als Antonius van Overvelt, de broers Johannes en Adrianus Schrauwen, Jacobus Janssen, Cornelis van Zon, Hubertus van Son en Cornelis Tielen illustreren dit patroon. Hun loopbanen tonen seizoensarbeid, beroepswisselingen en een sterke verwevenheid met familieverbanden en de lokale economie. Enkelen combineerden het ambacht met handel of winkelactiviteiten, vooral tijdens de oorlogsjaren onder strikte overheidsregulering.
Een persoonlijk ankerpunt vormt Johannes Vermunt (1875-1944), klompenmaker te Zegge en grootvader van de auteur. Rond 1908 werd hij als zelfstandig klompenmaker geregistreerd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij betrokken bij de gemeentelijke klompendistributie. Zijn levensloop weerspiegelt de kwetsbaarheid, maar ook het maatschappelijke belang van het ambacht binnen de lokale gemeenschap.
Noot van de redactie
Dit is een ingekorte versie van het artikel van Peter de Bakker.
Lees hier het hele artikel (opent in een nieuw tabblad)
De tekst van dit artikel is gepubliceerd onder een CC BY-SA 4.0-licentie (opent in een nieuw tabblad). Voor de illustraties geldt de licentie die in het bijschrift is vermeld.
