Het is december 1912 als de gemeente Beugen en Rijkevoort het plan opvat om de Hoogeindsche Heide, gelegen onder Rijkevoort, te ontginnen. Omdat de lokale bevolking geen interesse heeft in deze 'woeste gronden', wordt in de gemeenteraad voorgesteld om via advertenties in lokale bladen “goed katholieke boeren” te werven uit Holland of Zeeland.
Op deze advertenties melden zich twee boeren: C. de Wit en mijn opa Piet de Kock uit Oostzaan, dan 28 jaar en nog ongehuwd. In Beugen en Rijkevoort worden zij vanaf dan "de Hollandsche boeren" genoemd.
De boeren bieden een prijs van f 40,- per hectare, wat als zeer hoog te noemen is; bij eerdere rondvraag in de gemeente werd namelijk door de plaatselijke bevolking f 15,- per hectare eigenlijk al te veel gevonden. De gemeente ziet het dan ook als een financiële prachtzaak en het voorstel is om dit onderhands te regelen, mede omdat er lokaal geen interesse is. Er wordt een pachtovereenkomst opgesteld en overeengekomen dat er twee boerderijen voor de boeren gebouwd zullen worden waar zij dan wel rente over moeten betalen.
Verdaging
Maar dan gaan de Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant dwarsliggen tegen deze onderhandse verpachting. De beslissing wordt verdaagd omdat de pachtprijs van f 40,- wel heel erg hoog lijkt en op termijn misschien niet kan worden opgebracht. Raadslid Verheijen merkt tijdens een raadvergadering op dat het "den pachters op alle mogelijke wijzen wordt tegengemaakt". Raadslid Verheijen had liever verschillende kleine huisjes gebouwd en publiek verhuren. Bij stemming wordt dit afgewezen.
Tegen de verdaging gaat de gemeente in verweer en schrijft het geld van de verpachting hard nodig te hebben voor toekomstige projecten en dat er "tegenwerking is van alle kanten van de dorpen tegen de komst van de Hollandsche boeren". Er is dus zekere haast geboden. De Kock is nog beginnend als boer, De Wit moet zijn oude boerderij echter al verlaten en het is onwenselijk dat er nog verdere vertraging komt.

"Een behoorlijk stuk brood voor de Hollandsche boeren"
In maart 1913 komt er dan toch een akkoord van Gedeputeerde Staten en omdat het al laat in het seizoen is, wordt besloten de pacht te verlagen naar f 30,- ingaande op Kerstmis 1914. Door deze verlaging van de pacht menen de andere pachters in de gemeente echter nu ook in aanmerking te komen voor pachtverlaging. Dat gaat niet door, maar "is wel tekenend hoe er naar de “Hollandsche boeren” wordt gekeken".
In juni 1915 wordt de uiteindelijke, jaarlijkse huurprijs vastgesteld op f 17,- per hectare. De prijs lijkt gering vergeleken met de eerdere bedragen, maar gezien de bouwkosten van de boerderij moet er per bunder toch behoorlijk wat worden opgebracht. De gemeenteraad besluit tot deze f 17,- per hectare in de vaste overtuiging dat dit, in combinatie met de huurprijs van de boerderij, goed op te brengen is en er een behoorlijk stuk brood voor de Hollandsche boeren en hun gezin verdiend kan worden en ook gunstig is voor de gemeente gezien de grond voorheen geen cent opbracht.
Procedure tot uitzetting van De Kock
Maar dan op 30 augustus 1917 blijkt dat er juridisch advies is gevraagd aan advocaat J.C. Hengst te Den Bosch om een procedure te beginnen tot uitzetting van Piet de Kock uit de boerderij wegens wanbeheer. De grond is nog nauwelijks bemest en ook is er te weinig vee. De geruchten rondom de beëindiging van de pacht en de uitzetting van het gezin De Kock hebben zich snel verspreid en meerdere huurders hebben zich gemeld. Twee springen eruit, te weten S. de Groot uit Mill en A. Kruijsen uit Gennep.
Raadslid Verheijen stelt voor de boerderij onderhands te verkopen aan voorgenoemde De Groot, omdat deze f 12.000,- heeft geboden (de boerderij heeft f 6000,- gekost) en met Piet de Kock is overeengekomen dat deze de boerderij wil verlaten voor f 600,- door De Groot te voldoen. Dit bedrag komt dus niet ten laste van de gemeentekas.
Van de tweede en de grootste boerderij van C. de Wit wordt verondersteld dat hij het wel gaat redden “zij het met wat tobben”. Bij openbare verkoop bestaat het risico dat de boerderij nog meer verwaarloosd wordt dan hij nu al is. De gemeenteraad besluit daarom tot onderhandse verkoop aan Jacob de Groot uit Mill om zo proceskosten van de uitzetting te besparen.
Verkoop
Maar dan komt er alsnog een bezwaarschrift tegen de onderhandse verkoop van de boerderij. Door landbouwer Baltussen is namelijk f 13.000,- geboden voor de boerderij. Mocht nu toch tot onderhandse verkoop worden besloten, dan zal dit zeker bezwaar geven van Gedeputeerde Staten.
Daarom verzoekt de voorzitter tijdens de raadsvergadering om in overweging te nemen:
- 1: Intrekking besluit onderhandse verkoop;
- 2: Tot publieke verkoop van de boerderij over te gaan;
- 3: Alsnog een uitkering uit de gemeentekas aan P. de Kock van f 600,- die ten laste komt van de gemeentekas.
Uiteindelijk wordt toch maar besloten tot publieke verkoop van de boerderij met goedkeuring van Gedeputeerde Staten, die dan uiteindelijk in mei 1918 plaatsvindt. Opa Piet de Kock heeft echter al begin februari 1918 de boerderij verlaten en gaat in Den Bosch aan de slag als politieagent. Het gezin volgt hem kort daarop.
Het gezin De Kock gaat verder
Zo eindigde het avontuur van mijn opa Piet de Kock als 'Hollandsche boer' in de gemeente Beugen en Rijkevoort. Het was een onbekend verhaal binnen de familie.
Het gezin De Kock was nadien niet echt honkvast en verhuisde gemiddeld om de twee à drie jaar. Piet de Kock overleed in 1965 in Amstelveen. Een hele grote foto van opa in politie-uniform hing nog jaren aan de muur bij mijn overleden broer.
Bron: verslagen gemeenteraad Beugen en Rijkevoort
De tekst van dit artikel is gepubliceerd onder een CC BY-SA 4.0-licentie. Voor de illustraties geldt de licentie die in het bijschrift is vermeld.
