Voor de paters Passionisten, voluit de ‘Congregatio Passionis’ of 'Congregatie van het Lijden van Jezus Christus' is het overdenken van het lijden van Jezus de drijfveer om zich in te zetten voor mensen die “lijden onder ziekte of geweld, die zoeken naar zin en richting in hun leven, of die in de verdrukking komen door gebeurtenissen en structuren van de maatschappij of de Kerk”.

Om de waarde van dat overdenken van het lijden te benadrukken, leggen de Passionisten naast de gebruikelijke drie geloften (die van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid) nog een vierde gelofte af, namelijk die van de Memoria Passionis (de Herinnering aan het Lijden).
Ze doen dat al sinds hun oprichting in 1720. Het was de Italiaan Paolo Danei (1694-1775), die zo aangegrepen werd door de gedachte aan de kruisdood van Jezus, dat hij afstand deed van al zijn bezittingen en een leven als kluizenaar begon van ascese, boete en naastenliefde. Hij ontdekte dat bezinning op het lijden van Christus leidt tot mededogen met de mensen die het slecht hebben.
In november 1720 kreeg hij een verschijning van Maria, gekleed in een zwart habijt. Zij droeg hem op een gemeenschap te stichten die permanent zou rouwen om de dood van haar Kind. De bisschop van het stadje waar hij verbleef, geloofde Paolo en bekleedde hem met net zo’n zwart habijt als Maria had gedragen. Vanaf toen heette hij Paolo della Croce ofwel Paulus van het Kruis. Hij zette zich meteen aan het schrijven van een regel voor de op te richten congregatie.

In 1727 werd Paolo tot priester gewijd en in 1728 stichtte hij het eerste passionistenklooster op het Toscaanse schiereiland Orbetello. Deze eerste passionisten legden zich toe op de prediking onder de armen. Paus Benedictus XIV keurde de kloosterregel in 1746 goed. In 1771 stichtte Paolo ook nog de vrouwelijke, zuiver contemplatieve tak van de congregatie: de Passionistinnen. In 1785 verzachtte paus Pius VI de regel en in 1867 werd Paulus van het Kruis heilig verklaard.
Het duurde nog tot in de twintigste eeuw, voordat zich ook passionisten in Nederland vestigden. Dat was in 1907, in Mook. De Nederlandse provincie is opgericht in 1924. In 1934 telde de congregatie in zijn geheel 2.779 leden; daarvan behoorden er 113 tot de Nederlandse provincie met het provincialaat in Mook. De Passionisten waren werkzaam in vele missiegebieden, waarvan Nederlandsch Indië vooral een Nederlandse aangelegenheid was.

In Noord-Brabant hebben de Passionisten één klooster gehad, namelijk het Passionistenklooster in Grave. Buiten Noord-Brabant hadden zij kloosters in Echt, Haastrecht, Mook en Nijmegen. Wereldwijd zijn er momenteel nog zo’n 2.400 Passionisten werkzaam in 59 landen, waaronder vele landen in Europa, Brazilië en Indonesië.
Foto’s
Paulus van het Kruis (1694-1775). Bron: Wikimedia (opent in een nieuw tabblad).
De H. Gabriel van O.L.V. van Smarten in het habijt van de passionisten. Een olieverfschilderij door N. Diotallevi, bewaard in het passionistenklooster te Caunes-Minervois (F). Fotograaf: Philippe Plet. Bron: Wikimedia (opent in een nieuw tabblad).
Amerikaanse passionisten in hun missiestatie in China, z.j. Bron: Katholiek Documentatie Centrum, fotonr. 6A4316.
Bronnen
Jan Smits, Vademecum van religieuzen en hun kloosters in Noord-Brabant. Alphen a/d Maas, 2010.
Website Passionisten (opent in een nieuw tabblad).
Repertorium van Nederlandse zendings- en missie-archieven 1800-1960, lemma Passionisten (CP) (opent in een nieuw tabblad).
Katholiek ABC van de KRO, lemma Paulus van het Kruis (opent in een nieuw tabblad).

