Midden in het tegenwoordig zoveel geroemde Philipsdorp ligt deze merkwaardige straat. Als doorgangspad naar de marktplaats Eindhoven werd ze sedert de middeleeuwen belopen door kramers en boeren die veldgewassen en veel ter Eindhovense markt wilden brengen.
De loop naar de zompen
Ze sloot aan de paden naar Zeelst en Veldhoven en vandaar verder zuidwaarts. Het gold hier een begrinte doorgangsroute, deels ook voorzien van een wegdek van kneukelstammetjes die verzonken waren in de drassige ondergrond. Dit pad eindigde in de Fellenoord te Woensel. Daarna boog men weer af oostwaarts naar de Woenselse poort. Daar was het op de marktdagen heel druk want daar werd de aangeboden koopwaar eerst gekeurd op kiemen van besmettelijke ziekten.
Het pad werd gebruikt voor de kleinere, makkelijk transportabele goederen en waren. Pluimvee, eieren, vruchten van de stam, lammetjes, enfin, alle levende voortbrengselen van dierlijke aard waarover “krijtende tienden” verschuldigd waren aan de Prins-Bisschop van Luik. Krijtend: geluidmakend. Mekkerend, blèrend, kukelend of tokkend. Wie grotere waren aanbood of stortgoed meezeulde, ging over Gestel, omdat daar de Hoogstraat liep over een zandrug. Iets hoger gelegen in het landschap. Die kwam dan aan bij de Gestelse poort, maar daar werd echt ambtelijk ingeklaard en dat kostte leges. Wie bereid was door de Strijpse zompen te trekken spaarde dus deze heffingen, maar hij was lang onderweg en dat kon verder, gelet op de moerassen, alleen goed in de zomer en de lente, die nooit lang duurde, in de periode van de Kleine IJstijd, inzettend in 1500 tot in de negentiende eeuw. Veel ijsafzetting via de beken in de Kempen, hier, bij Eindhoven de Dommel, Gender, de Tongelreep en daaraan verbonden sprangen en dode armen. Veel overstromingen, want het regende ouwe wijven met klompen.
Het Schaauwe Broek
Het pad, De Keerweer, placht dood te lopen in de moeraszompen van het Schaauwe Broek, een ondoordringbaar moerasgebied vol Gagelstruiken. Een medicinaal kruid, ook bekend als toverplant. Ze vond bijvoorbeeld toepassing bij kiespijn maar werd ook beschouwd als afrodisiacum. Hij is ook insectenwerend en werd o.a. gebruikt om vlooien uit matrassen te weren. Daarnaast werd de plant toegepast bij het leerlooien en gebruikte men de gele vrouwelijke bloemknoppen als verfstof. Ze gold als tovermiddel van heksen die in de middeleeuwen in de Kempen een soort middenstandsbedrijf uitbaatten. De kerk zag ze niet echt zitten, maar bestreed ze ook niet, want er was nooit iets bij te winnen. De protestanten dachten daar later beslist anders over en zetten haatzaaicampagnes op ter consolidatie van hun minderheidsposities. Maar dan schrijven we al medio zeventiende eeuw en Strijp trekt zich er niets van aan. Ook omdat bijna niemand daar kan lezen of schrijven. Elk nadeel heeft zijn voordeel.
Dat totaal verzuurde en stinkende moerasgebied werd gevoed via de sprangen van de beek De Gender die hier in herfst en winter langdurige massa's water in overlaat bijeendreef. Dat water verzuurde steeds intenser en werd heftig verontreinigd. De wijde omgeving loosde faecaliën, afval van halffabrikaten en kleurstoffen op de Gender; dat werd hier allemaal verzameld en trok in de bodemlagen.

De straat die we hier zien was in de middeleeuwen een voortdurend ondergelopen, dus moeilijk zichtbaar, grint- en kneukelpad, dat in de herfst en winter slechts eenrichtingsverkeer bood: bij het moeras moest je terug, naar Strijp, het centrum bij Het Kerkeind. Vandaar "Keerweerstraat". Het Kerkeind lag wat hoger, doordat zand was gestort vanuit de Engelsbergen, een reeks van zandhopen uit de tijd dat westwaarts uitlopende gletsjers hier nog hun stuwende werking hadden gehad. Die zandverhogingen waren nodig om het luidhuis te dragen, waarin de befaamde Strijper klokken hingen in hun reusachtige klokkenstoel van eikenhout. Hun gewicht was aanzienlijk en verzakkingen waren voorzienbaar, mede omdat ook hier het Genderwater bleef teisteren.
De Engelsbergen
In deze Engelsbergse zandhopen vond men later, in de negentiende eeuw, grafheuvels met urnen. De Bergeijker Bovenmister Petrus Panken (1819-1904) was ernaar komen graven. Deze sombere dorpsschoolmeester was een van de eerste Brabantse amateurarcheologen. Panken had er geleerde stukken over geschreven. In de tijd van Panken was de Kempense bodem nog betrekkelijk maagdelijk. Op de uitgestrekte woeste gronden konden grafheuvels worden gevonden die uit de Bronstijd stammen. Later is veel daarvan verstoord, niet alleen door ondeskundige schatgravers, maar vooral door uitgebreide systematische en diepgravende heide-ontginningen, waaronder ook de aanplant van naaldbossen. Een beperkt aantal grafheuvels werden geconserveerd en vormen nu bezienswaardige objecten. In de Engelsbergse heuvelingen waren deze urnen bij de vleet aannaderbaar. De omwoners kenden allemaal wel een verdoolde ziel persoonlijk, al vond mijnheer pastoor dat niet goed. Er kon een enkele weerwolf tussen doorlopen, zeker, maar het ging ook wel om kabouters. Pastoor Werners moest er niets van hebben en liet de urnen aan barrels slaan. Aan Werners lijf geen polonaise.
Daar, in deze bergen, spookte het inderdaad hevig wegens deze omgang met de buren, huisbezoek van de kapelaan was vruchteloos. Hier waren heidenen, onzaliger nagedachtenis, gestorven en hun zielen bleven dolen. Maar het waren toch goeie spoken. Ze konden het niet helpen dat ze niet tot rust kwamen, want ze waren nooit katholiek geweest. Het Christendom was toen nog niet in de Kempen doorgedrongen. Dus deze heidenen konden er niks aan doen dat ze niet goed afgestorven waren in Christus. Dat wil zeggen, aldus de pastoor, dat ze niet volledig en ten volle bediend waren na oorbiecht. Deze heidenen konden dus nooit in de hemel komen, maar ze waren in onoverwinnelijke en verschoonbare dwaling geweest. Niettemin moest een Christenmens uit de buurt blijven, want hun dwalingen waren besmettelijk. In de broeken huisden de kwaaie geesten. Die waren kwaad afgestorven, zonder ziekenzalving en zonder volmaakt berouw.
Maar dat was hun eigen schuld: zij hadden bediening kunnen krijgen, mits bereidwillig tot schulderkenning en dus volledige uitboeting, kon het zijn, in giften aan de kerk, hoe moeilijk kon het zijn? Ze waren dus heiligschennend heen gegaan en konden op het Strijpse kerkhof uiteraard niet de passende rust vinden. Die kwaaien waren vervolgens daarheen, naar de gagelbroeken, in de vorm van dwaallichten – vermoedelijk veroorzaakt door moerasgassen - gehaald door heksen die in deze broeken huisden en toverijen vertoonden. Inderdaad kende Strijp tot in 1920 nog heksen die van wanten wisten. Je kon ze consulteren, ze waren goedkoper dan de dokter, maar je haalde je heel wat op de hals. Je moest het zelf weten, de pastoor van het Strijpse Trudokerkje had gewaarschuwd. Moeilijk was het allemaal niet. Maar je zag het pas als je het dóór had. En dan was het vaak al te laat.
De Gagelstraat
Verderop loopt de Gagelstraat die herinnert aan het typisch Strijpse moerasgewas. De wilde gagel (Myrica gale) is een bladverliezende struik die behoort tot de gagelfamilie (Myricaceae). Hij komt voor op 's winters zeer natte, zure, venige grond op heidevelden, in moerasbossen en laagveenmoerassen. Ook vindt men de struik in natte duinvalleien. Gagelstruwelen vormen zich alleen als er weinig concurrentie is van andere struiken of bomen.
De Eindhovense lampenfirma die destijds veel volk wierf als personeel buiten De Kempen liet op de droge delen woningen bouwen die zij schappelijk verhuurde, die een riolering en een waterleidingsaansluiting hadden, met een vlakspoeltoilet inpandig, een kraan in de keuken en in de ouderlijke slaapkamer. Ze leken veel op de Philipswoningen die nog luxer waren aan de Frederiklaan, de Adrianastraat en de Lindenlaan en de weggetjes die aan struiken en bomensoorten hun benaming ontleenden (Hulstlaan bijvoorbeeld). Maar die waren consequent dubbelsteens met ventilatiespouwen, hadden elektra-aansluiting en kruipruimten. Philips bouwde voort in arbeiderstuindorpen rondom de stad met voorzieningen die de plichtmatige ingevolge de woningwet-1902 verre overtroffen.
Zo hadden deze secundaire personeelswervingsvoorzieningen een enorme invloed op de nationale volkshuisvesting, want de overheden gingen Philips navolgen, niet omgekeerd. De gunstige werking voor de volksgezondheid is onloochenbaar gebleken.
