Wanneer ik de eindeloze Laan van Meerdervoort voor de zoveelste keer naar Kijkduin affiets, meestal op weg naar het crematorium “Ockenburgh”, denk ik automatisch aan de eveneens eindeloze Zeelsterstraat te Strijp. Slot van een drieluik.
Hardnekkige relicten
Genadeloos werd de Zeelsterstraat aan weerszijden koud gesaneerd. De rooilijntrekking was er steeds leidend motief bij. Er waren de vreemdste vooruitstekende panden die met tuin en al op het wegdek bleken te staan toen het traject vanaf Zeelst geasfalteerd moest worden. Ook al hadden deze bouwsels de merkwaardigste versieringen en uiterlijke verschijningsvormen, ze moesten weg. Er kwamen strenge rood beklinkerde fietspaden waarop zich veel knetterende brommers voortbewogen. De gemeente kwam de gevelwanden inspecteren en bezien op gestandaardiseerde criteria van uiterlijke verschijningsvormen die in stedelijk gebied gepast waren.
Er gingen dus veel boerennerinkjes tegen de grond en ook de fabriekjes die verrezen waren waar eens een windmolen de aandrijvingskrachten voor de machinerieën had geleverd. Zo ging het bedrijfje dat gotische venstertjes had teloor, ook al leek het op een guur roofridderkasteel. Achtergrond voor menig spel waarbij ridders en benarde jonkvrouwen een hoofdrol speelden. Sommige percelen waren beleggingsobject van particulieren, die in één bestek een rij eigenzinnige arbeiderswoningen hadden laten zetten, uit de rooilijn, met het oog op tuintjes.

Aangezien dan de eigenaar hardnekkig zich verzette tegen de nieuwere leefomgevingsinzichten bleven die, hoe zeer detonerend, staan. Maar je kon nog zien waar eens de zeug gestoken was voor de slacht en waar het kippenhok had gestaan. De gemeente, wars van gecompliceerde procedures met risico van gezichtsverlies, zag van onteigeningen af. En zo bleven dan vaak heel lelijke rijtjes huizen staan, terwijl art deco-behuizingen met zonderlinge tegelmotieven meedogenloos tegen de grond gingen.
Middenstandswoningen met winkelfaciliteiten bleven ook staan, als rudimenten die herinnerden aan de tijd dat de straat veel kleine detaillisten kende, slagerijtjes, bakkers, grutters en waarachtig handelaren in comestibles, koloniale waren en dierenvoeders.
Maar deze werden nu gesegmenteerd tot appartementsgebouwen met zonderling kleine wooneenheden, waarvoor toch astronomische huurprijzen werden gevraagd. Ze gingen evenwel van de hand als warme broodjes omdat Eindhoven een studentenstad aan het worden was met veel expats van dien. De nieuwere bewoners trokken zich geen barst aan van de buren, want ze waren voor studiedoeleinden op doortocht. Het kruideniershuis op de hoek Botenlaan/Zeelsterstraat ging de merkwaardigste bewoners herbergen. Maar ze waren allen niet wars van daverende nachtelijke feesten, gelardeerd met chemische emotie-ontremmers waar de oude bewoners van de straat, die de stoomwalstochten nog hadden gekend, van op bleven kijken. Het winkeltje waar je onbegrijpelijke snoepwaren had kunnen betrekken tegen één luttele cent bleek een oord, geheel onttrokken aan de territoriale rechtsmacht van de Staat der Nederlanden.
De huurders bleken niet ontvankelijk voor de slagzin “Koopt Nederlandsche waar, dan helpen wij elkaar”. En zo sloeg de integrale vervreemding van weerszijden toe. Wie zich nog oriënteren wil in dit barre Jerusalem heeft als baken voor het oog nog slechts de torentop van de Teresiakerk tot zijn beschikking. Want die staat nog parmantig wenkend boven de daken uit te steken. Maar niet goed waarneembaar. Want ook hier rukte de hoogbouw op. En hoe lang zal dat bedehuis nog staan? Maar ja: de vooruitgang hé? Onwederstandelijk, zeggen de protestanten, als God iets beraamt dat onbegrijpelijk schijnt.

