In deel 1 van dit verhaal hebben we gekeken naar de eerste Van Rossums in de directe lijn van mijn grootmoeder en hun echtgenotes. We pikken de draad op in 1749, bij het huwelijk van Joannes van Rossum, zoon van Reijnder Geritz van Rossum en Elisabeth van Baest, en Barbara de Rouw.
Om het voor de lezer gemakkelijker te maken, heb ik een (beperkte) stamboom opgemaakt, waarbij ik ook de woonplaatsen, voor zover bekend, vermeld. Klik hier om de stamboom in te zien (opent in een nieuw tabblad).
3 Het echtpaar Joannes van Rossum en Barbara de Rouw
Op 11 mei 1749 trouwde Joannes van Rossum in Maren met Barbara de Rouw. Zij was een dochter van Peter de Rouw (begraven op 5 mei 1768, Maren) en Maria van Thiel (let op: verderop verschijnt nog een Maria van Thiel, maar dat is een andere persoon). Dat dit haar ouders waren zal verderop blijken uit een akte van de 14e van de zomermaand (juni) 1809.

Het is nu zaak te bewijzen/aannemelijk te maken dat deze Joannes de Jan was die op 16 november 1716 gedoopt werd als zoon van Reijnder (van Rossum) en Lysbeth van Baest. Daarvoor bestaat een aantal aanwijzingen. Als hij deze Jan was, had hij een zus Gertrudis en een zus Peternel. Op 4 februari 1748 trouwde Gertrudis Reijnders van Rossum met Gerardus Gijsbers. Op 29 april 1752 werd gedoopt: Elisabeth, dochter van Gerardus van Kessel en Gertrudis van Rossum. Een van de getuigen was Petronella van Rossum. Het meisje werd dus volgens de logica vernoemd naar Lysbeth van Baest. De vader was dus Gerardus, de zoon van ene Gijsbert van Kessel. Op 1 december 1754 zijn de rollen omgekeerd. Dan wordt weer een Elisabeth gedoopt, dochter van Conrad van Beest en Petronella van Rossum. Een van de getuigen heette Gertrudis van Kessel. Dit was ongetwijfeld Petronella’s zus, getrouwd met Gerardus van Kessel. Maar de brug naar Joannes van Rossum en Barbara de Rouw is hiermee nog niet geslagen. Evenwel, als op 15 maart 1751 Reijnerus, de zoon van Joannes van Rossum en Barbara de Rouw in Alem wordt gedoopt, is een van getuigen Gertrudis Gerits. Dit is ongetwijfeld opnieuw Gertrudis van Rossum, nu aangeduid als de echtgenote van Gerit (van Kessel). De andere getuige is eveneens een Joannes van Rossum, waarschijnlijk een neef.

Maar het overtuigende bewijs volgt op 14 oktober 1763. Dan wordt gedoopt Joanna, dochter van Conrad van Beest en Peternel van Rossum en de getuigen zijn, jawel, Joannes van Rossum en Barbara de Rouw.

Joannes en Barbara woonden waarschijnlijk op ’t Wild, want op 25 augustus 1755 wordt ene Jan van Rossem op 't Wild (volwassen, 2 klokken) begraven. Het staat met slechte inkt in het midden. Waarschijnlijk is dat ‘onze’ Jan. In deze richting wijst ook het feit dat hun zoon Reinier heel zeker op ‘t Wild woonde. Als hij het was, dan was hij pas 38 jaar. Dit verklaart dan dat Joannes en Barbara waarschijnlijk slechts een kind hadden: Reinier.

4 Reinier (1751-1811)
Zoon Reinier woonde heel zeker op 't Wild. Op 17 november 1781 wordt 'de vrouw van Reinier van Rossem op het Wilt' begraven. Dit kan niemand anders zijn dan zijn eerste vrouw Hermanna van Raeij met wie hij op 31 januari 1779 getrouwd was en met wie hij een zoontje Johannes kreeg dat op 26 mei 1780 in de kerk van Maren werd gedoopt. Hermanna werd op 21 november 1746 gedoopt in Oijen als dochter van Hermanus van Raeij en Joanna van den Acker. Laatstgenoemde was kennelijk bij haar dochter en schoonzoon ingetrokken, want op 8 januari 1781, dus voor het overlijden van Hermanna, lezen we: begraven Reinier van Rossum vrous moeder.


Op 12 september 1784 hertrouwde Reinier met Maria van T(h)iel. Zij werd gedoopt op 15 maart 1751 in Kessel als dochter van Joannes van Tiel en Maria van Kessel (getuigen Joannes Geurde van Kessel en Emerica van Kessel).

Het is opvallend dat de pastoor niet vermeldde dat Reinier weduwnaar was. De dominee, bij wie het ‘wettelijk’ huwelijk geregistreerd diende te worden, deed dit wel.

Drie dagen voor het huwelijk, op 9 september 1784, werd de inventaris van de goederen ter zekerstelling van de erfenis van zoontje Jan uit het huwelijk met Hermijna van Raaij opgemaakt.


De inventaris bestond om te beginnen uit een morgen hooi- of weiland onder Maren. Vervolgens het huis:

Hieronder de lijst met de roerende goederen.

Reinier en Hermijna hadden een hoogkar, een aardkar en een zadel. Een paard ontbreekt, misschien had Reinier een paard in persoonlijk bezit. De kleren van de overledene zijn verkocht. De opbrengst is gebruikt om boedelschulden af te lossen. Opvallend is dat de goederen niet getaxeerd zijn.
Aan Brabants Dorpsleven (opent in een nieuw tabblad) ontleen ik onderstaande afbeeldingen van en uitleg over de karren.


De ‘hoogkar’ was groter en hoger dan de aardkar. Deze werd gebruikt voor meer omvangrijke ladingen en het vervoer van personen. Bij het binnenhalen van de graan- en hooioogst maakte de boer vaak gebruik van de hoogkar, maar ook bij het vervoer van vetgemeste varkens of kalveren. Ging het gezin naar de stad of naar de markt, dan was er vaak een huif die over de kar gespannen kon worden.

Uit het tweede huwelijk werden de volgende kinderen geboren.
1. Hermanus, gedoopt op 9 september 1785 te Maren, getuigen Godefridus van Thiel en Joanna van der Calle, overleden op 3 februari 1825;
2. Maria, gedoopt RK te Maren 7 maart 1787, getuigen Gerardus van Thiel en Joanna de Wit, dienstmeid, overleden te Driel op dinsdag 1 november 1864, trouwde te Driel op maandag 26 februari 1821 met Christiaan van Heumen, zoon van Reinier van Heumen en Emerentiana Kouwenberg, geboren te Driel ca 1774, overleden te Driel op dinsdag 4 september 1827.
3. Bernardus, gedoopt RK te Maren op woensdag 24 december 1788 (getuigen: Petrus van der Calle en Petronella van Thiel), waarschijnlijk vroeg overleden.
4. Johannes, gedoopt RK te Maren op 19 mei 1790, overleden op 31 oktober 1874 te Alem, Maren en Kessel; hij is de volgende stamvader.
5. Barbara, gedoopt RK te Maren op maandag 7 jan. 1793, getuigen Petrus van der Kalle en Adriana van Thiel. (ipv Reinier staat er Henrici), arbeidster, overleden in Driel 26 juni 1872; trouwde 1) te Driel op maandag 10 februari met Joannes Pardoel, zoon van Hendrik Pardoel en Maria van Aalst, geboren te Driel op woensdag 6 februari 1793, bouwmansknecht, overleden (31 jaar oud) te Maren op zaterdag 29 januari 1825; trouwde 2) te Driel Antonius van Os, weduwnaar van Johanna van Bergen.
Bij de doop van Joannes, de volgende stamvader, op 19 mei 1790 werd vermeld: het Wild.

In 1803 kocht Reinier twee maal grond op het Wild, maar dat hoeft niet automatisch te betekenen dat hij daar nog steeds woonde. Maar in 1811 werd bevestigd dat dit wel degelijk het geval was. Op 5 april van dat jaar overleed Reinier. De aangevers waren z’n zoon Hermanus (ongetwijfeld vernoemd naar de eerste vrouw van Reinier, Hermana) en een 36-jarige buurman genaamd Albert Rovers. De Franse ambtenaar schrijft als volgt: hij is overleden 'agé de soixante ans…..à sa domicile sur la digue à Maren op 't Wilt quotte No. 89' (zestig jaar oud….in zijn woning op de dijk in Maren op 't Wilt quotum nr. 89). Er staat ook bij dat hij weduwnaar (‘veuf’) was.

Hij was al voor de tweede keer weduwnaar, want Maria was hem op 29 mei 1810 voorgegaan.

Er staat vermeld dat zij 60 ¼ jaar oud was. Dat is niet juist, ze was ruim 59 jaar. Belangrijk is de vermelding dat zij 5 kinderen uit een of meerdere huwelijken naliet. Daar zal dus Joannes, de zoon van Hermina van Raaij bij zijn geweest, dus was een van haar eigen 5 kinderen al overleden. Dit was Bernardus zoals ik meteen zal aantonen. Op 26 oktober 1814 blijkt dat de (minderjarige) wezen van Reinier en Maria twee voogden hebben in de personen van Pieter van Thiel en Hermanus van Rossum. Pieter was ongetwijfeld een broer van Maria. Hermanus was de oudste zoon uit het tweede huwelijk. Bij de schepenbank van Maren heb ik een akte uit 1811 (in het Nederlands en in het Frans) gevonden die gaat over het aanwijzen van de voogden. Op 2 mei verschijnt Herman voor schout en schepenen om het overlijden van zijn vader te melden en de noodzaak tot het aanstellen van voogden over zijn minderjarige broer en zusjes uit het huwelijk met Maria van Thiel, Maria, Johannes en Barbara. Bernardus ontbreekt, Jan uit zijn vaders eerste huwelijk wordt niet vermeld.

Herman stelt als voogden voor Piet van Tiel en Reinier en Jacob van Rossum uit Wamel ‘naaste vrienden van Vaders en Moeders zeijde’. Met ‘vrienden’ werden in die tijd (ook) familieleden aangeduid.

De schepenbank beschikte evenwel anders: Piet van Tiel werd overgenomen, maar in plaats van Reinier en Jacob van Rossum wees de schepenbank Herman zelf aan. Hierbij zal de afstand tot Wamel wel een rol gespeeld hebben. Nu dringt zich natuurlijk de vraag op: wie waren Reinier en Jacob? Het waren neven van ‘onze’ Reinier, zonen van de eerdergenoemde Antonius en Margaretha Hegmans. Jacob werd als deel van een tweeling in 1762 geboren en Reinier in 1764. Reinier was bakker.
Uit 1816 stamt een volgende bevestiging dat Reinier op ’t Wild woonde: dan koopt Hendrik van Lith van de gebroeders en gezusters Van Thiel, waaronder Pieter van Thiel, die ook op ‘t Wild woonde, een huis. Er worden de volgende belendende percelen genoemd: oost Albert Rovers (mede-aangever van het overlijden van Reinier), west de Maasdijk, zuid Reinier van Rossum en noord Pieter van Thiel. Merkwaardig, in zoverre dat Reinier al vijf jaar dood was. Maar het is aan te nemen dat de boedel nog niet verdeeld was en omdat de rest van het gezin er is blijven wonen zal het in de volksmond nog steeds (huize) Reinier van Rossum zijn geweest. Het huis lag dus aan de dijk. Reinier kon niet schrijven, maar hij maakte er zich niet vanaf met een kruisje, hij was in staat zijn intialen te 'tekenen'. Onderstaand detail stamt uit 1803.

Het volledige artikel zal in september ook verschijnen in de Maaskroniek 47 (2024) nr. 99.
