Piet Bosschenaar was het pseudoniem van Petrus Johannes van Rooij (’s-Hertogenbosch, 4 januari 1865 – ’s-Hertogenbosch, 14 december 1941). Hij was goudsmid gedurende zijn werkzame leven. Maar hij schetste in zijn artikelen ook een mooi beeld van Den Bosch in de jaren 1870 en van de teloorgang van de Bossche goud- en zilverindustrie.
In die jaren 1872 en ook veel en veel later nog, was ook op godsdienstig gebied de verhouding maar treurig slecht. Rooms en Protestant verdroeg elkaar niet. Het was een protestant land, dat liet men, vooral indien Den Bosch, wat overwegend Rooms was, de mensen zeer goed, zoveel mogelijk en overal in voelen. In rijksbetrekkingen, en alles waar de regering macht over kon uitoefenen of zeggingskracht in had - Kadaster, postkantoor, belastingen, enz. – had een Katholiek absoluut geen kans. Geen werkster mocht zelfs daar aan het Paleis van Justitie, de straat schrobben als ze Katholiek was. Processies was geen sprake van, en als ik met moeder de omgang mocht doen mochten we niet buiten de Kathedraal - die gesloten was tegen die brokken steen – knielen en bidden en aan de vismarkt (branderij Pompen) wat privé eigendom was weer binnen.

minder groots beschreven (Provinciale
Noordbrabantsche en 's-Hertogenbossche Courant van
4 april 1872 (opent in een nieuw tabblad))
Geen gelegenheid liet men voorbij gaan om elkaar te hinderen, en zich meer of minder waardig te doen voelen, bij verjaardagen of feesten van het Vorstelijk Huis, kwam dat door de vlaggen etc. al zeer sterk uit, Rooms en Protestants weeshuis, vochten op de parade leven om leven, en dag aan dag roomse jongens met ’t Geus scheuleke; treurig voorwaar.
Dat onder die omstandigheden en in die gesteltenis onder de mensen hier ‘kleine oorzaken grote gevolgen’ kunnen hebben, bleek ook hier. Onder de Protestanten was dat jaar (1872) een of ander eeuwfeest of gedenkdag*) en hingen bij die gelegenheid portretten van Luther en Calvijn, levensgroot en met bloemenkransen omgeven, voor de ramen, voor ieder raam een met licht er omheen.
Dat was voor de dweepzieke, en zich met verguisde gevoelde volksmassa te veel. Dat kon de ‘man van de straat’ niet hebben, en toen de avond gevallen was - straten waren toen nog maar slecht verlicht – vlogen een paar grote keistenen door de ruiten. Alles was op de been. Het werd een formeel Bossche oproer, en onder het zingen van:
Luther en Calvijn,
die liggen te branden in de hel,
dè weten de geuzen wel
trok een opgezweepte volksmassa ook naar de sociëteit de Arend en Casino om daar serenades te brengen.
Wat een geluk dat inde latere tijd toch zo verstandig is geworden, dat tenminste zoiets niet meer mogelijk is of bestaan kan. Er zijn trouwens nu voor ieder, wie ook, al moeilijkheden genoeg; zoiets kan best gemist worden.
*) Vermoedelijk bedoelt de schrijver hier de herdenking van de inname van Den Briel door de Watergeuzen op 1 april 1572. Redactie.
