Op BHIC staan van mijn hand diverse beschouwingen over de Bossche procureur-generaal Speyart van Woerden. Ik gaf al aan hoe de man zich hopeloos compromitteerde in de beruchte zaak-Oss die leidde tot de val van het vierde kabinet-Colijn.
Het provocerend karakter van Speyart
Colijn zelf werd daarmee middellijk ook onherstelbaar in zijn steile reputatie beschadigd, maar de in Zuidoost-Brabant oppermachtige clerus nog véél meer. Het was duidelijk dat het episcopaat zich rechtstreeks bemoeid had met het opsporingsbeleid ten laste van twee Ossche geestelijken die ontucht met minderjarigen hadden kunnen plegen, jarenlang.
Speyart, de oer-katholiek, had samen met de roomse minister van Justitie Carel Goseling aan de protestantse marechausseebrigade, gekazerneerd te Oss, beraamd aan deze brigade collectief bij één ministeriële beschikking de strafvorderlijke opsporingsbevoegdheid te ontnemen. De bewindsman had wettelijk geen poot om op te staan. Het gold als onverschoonbaar ambtsmisbruik, gedoogd door de calvinisten, wier voorman Colijn ook eerder reputatieschade had opgelopen door bevreemdende met een beruchte Berlijnse maîtresse.
Een campagne zonder weerga
De brigade begon een heftige campagne tegen Goseling en Speyart en de laatste gooide alle remmen los. Zijn remmingsloze Filippica tegen de brigade en vooral de commandant ervan, opperwachtmeester Mintjes ter zitting van de Centrale Raad van Beroep, die moest oordelen over de wetmatigheid van de ministeriële beschikking, laat zich nog steeds lezen als een voortgezette intentionele beschimping van onderhebbenden, waarbij de spreker geen invectieven schuwt, de registers van de galerij kundig bespelend. Zonder enige nadere bewijsvoering. De voorzitter van die Raad liet het toe. Kundig uitgeserveerd grensoverschrijdend gedrag, gesteund door de rechter.
Een torpedo in de buikdenning van het confessionele schip van staat. Het monolithisch confessionele kabinet moest ontslag aanvragen en de zo oppermachtige coalitie van hervormden, gereformeerden en roomsen was voor de toekomst in paralyse. Ze zou zich er nooit meer van herstellen en iedereen wist: de schuld van die Speyart. Colijn kwam terecht in een depressie waarvan hij zich niet kon herstellen en menig katholiek kamerlid kon naar verdere ambtsbediening fluiten. Men dacht dat Speyart ambtelijk ook geslachtofferd zou worden. Maar het tegendeel was waar. Hij ging steeds sterker provoceren. Hoe meer in het nauw, hoe duchtiger hij beet. Allemaal onder het motto van de gezagshandhaving die zo noodzakelijk was. Een term uit deze autoritaire periode zonder weerga. Steeds aangeheven als er echt aan de kant van dat gezag heel wat loos was.

Speyart gedurende de bevrijdingsperiode in de Zuidoostelijke corridor 1944-1946
Zodra Speyart, die tijdelijk ondergedoken had gezeten aan het eind van de bezettingsperiode in 1944, lucht had gekregen van de ontplooiing van het strategisch plan Market Garden, kwam hij in actie. Zodra de gevechtshandelingen in de corridor die de geallieerden geslagen hadden vanaf Neerpelt tot aan de zuidelijke Nederrijn-oever bij Arnhem gestaakt konden worden, eiste Speyart herstel van alle competenties die de wet op de rechterlijke organisatie, het wetboek van strafvordering en de oorlogswet voor Nederland 1899 hem maximaal gunden als fungerend directeur van politie.
Hij vond dat binnen deze strook de bevoegdheden tot het uitoefenen van dwangmiddelen en het rechtsaanhangig maken van strafzaken dienden uitgeoefend te worden onder de supervisie van en in overeenstemming met deze directeur, die nog steeds tijdelijk fungeerde op basis van een Souverein Besluit uit de novemberdagen-1813. Willem, de Souverein Vorst, had dat destijds besloten en deze competentie tijdelijk neergelegd bij de procureurs-generaal die er destijds waren conform de toenmalige Napoleontische rechtsbedeling 1810. Speyart had niets te maken met die Amerikaanse generaal Eisenhower die toevallig bleek te zijn neergestreken te Brussel om daar enig opperbevel over intergeallieerde strijdkrachten uit te oefenen.
Deze constructie was niet erkend in het Wetboek van Strafvordering-1927, als het ging om strafvorderlijke bevoegdheden en dus was ook de erkenning van het Nederlands Militair Gezag met dergelijke bevoegdheden onrechtmatig en onwetmatig. Deze competenties voegden alleen de politiële organisaties die dat Wetboek noemde. Het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel vooronderstelde zulks en dat principe was de hoeksteen van de rechtsstaat. Herstelling daarvan was de zaak van een procureur-generaal en niet van een namaakgeneraal met veel te veel sterren.
Dat gold evenzeer voor de heer van Lippe-Biesterfeld die het rechtsgebied Den Bosch en Roermond onveilig maakte met een samengeraapt zootje klaplopende soldaten van eigen makelij. Dat deelde Speyart dan kortbesloten ook de blazerige generaal Kruls mee, die met sterren en balken beladen zich bij hem vervoegde om mee te delen dat hij als chef-staf Militair Gezag deze competenties dacht te laten waarmaken door de kapiteins, majoors, oversten en kolonels die hij in Londen alvast had laten benoemen, ook al konden ze nog niet salueren en evenmin een wapen bedienen. Speyart deelde doodeenvoudig mee dat hij er niets mee te maken had en daar was het gat van de deur.
Het zuiveringsconflict
Na de bevrijding van het zuiden van Nederland in het najaar van 1944 kwam het dus onvermijdelijk tot een scherp conflict tussen Speyart – als fungerend directeur politie – en de minister van Justitie aan de ene kant en de voormalige illegaliteit aan de andere kant. Vooral toen “het verzet” in de corridor aanstalten maakte om eindelijk eens “Bijltjesdag” uit te roepen: de dag der wrake en gramschap waarop collaborerende Nederlanders, vooral die met ambtelijke status, rekenschap zouden moeten geven van hun betwistbare opstellingen tijdens de bezettingsperiode.
De zuivering, gevolgd door tuchtrechtelijke straffen via tribunalen. Collaborateurs, daarvan waren er nogal wat in deze corridor die niet al met Dolle Dinsdag in september 1944 hadden weten weg te komen naar Centraal-Europa: burgemeesters, districtscommissarissen, politiechefs, oversten van grensbewakingstroepen, landwacht en landstorm. Zij huiverden in hun spelonken en zochten heul bij Speyart. Het zou er ruig aan te gaan en dat kon toch maar zó niet gebeuren.
Speyart was er gevoelig voor. Vooral als het weer eens om roomsen ging die zich hadden aangesloten bij fascistoïde organisaties of bij Zwart Front te Oisterwijk. In die plaats had inmiddels ook een delegatie van ministers intrek genomen in het sjieke hotel Bosch & Ven als “kwartiermakers” voor de terugkerende regering. Speyart deed weten dat deze club staatsrechtelijk niet kon bestaan. Er kon, dat gaf hij toe, een kabinet zijn, maar dat zat in Londen en dat kon slechts handelen in overeenstemming met de Koningin. Dus waren aanwijzingen vanwege deze kwartiermakers onwettig.
Wie ze opvolgde, maakte zich schuldig aan strafbare feiten, dat moest duidelijk wezen, wellicht zelfs aanslag op de grondwettige regeringsvorm in de zin van Titel I Boek II van het Wetboek van Strafrecht-1881. Speyart zat nooit om rechtshistorische argumenten verlegen. De minister van Justitie, Van Heuvel Goedhart, vernam dus dat hij zijn bediening onrechtmatig uitoefende. Daar keek hij bepaald van op. Het drong ook door in Brussel; Eisenhower reageerde nogal ontstemd.

De dwangmiddelen-toepassing bij opsporing
De direct op de spits gedreven controverse spitste zich publicitair toe op twee punten, te weten de strijd om de arrestatiebevoegdheid, het recht om aan te houden, te verhoren in verband met de waarheidsvinding, in bewaring te stellen en vervolgens in voorlopige hechtenis. De Binnenlandse Strijdkrachten besloten dat zij daartoe exclusief bevoegd was. Niet onder toezicht van Speyart, maar via Prins Bernhard. Dat was een tiep om mee uit vissen te gaan. De reguliere politie had steeds gehandeld in overeenstemming met het bezettingsgezag.
Dat was steeds verder gegaan met de inbreuken op de grondrechten van de Nederlandse constitutie. Maar ik gaf al aan dat de politie dat deed op basis van de rechtspraak van de Hoge Raad. Die had besloten dat de verordeningen en decreten van de bezetter gelijk waren in verbindende kracht aan Nederlandse wetten. Zou men de politieman gaan vervolgen ter zuivering en tuchtrechtelijke sanctionering dan zou de rechterlijke macht niet buiten schot blijven. Dat wist Speyart óók.
De politie is je beste kameraad, aldus Speyart
Hij besloot daarom dat de Nederlandse terugkerende gezagsdragers moesten uitgaan van het rechtsvermoeden dat de politie gezuiverd was. De illegaliteit had evenwel tijdens de bezetting haar eigen zuivering voorbereid. Zij wilde die volgens plan ten uitvoer brengen zonder de reguliere staatspolitie, omdat zij meende dat die politie zelf onvoldoende gezuiverd was. Daarin had het verzet een goed punt. Antoon Coolen, de schrijver, heeft kort meegedaan aan de zuivering, maar hij kon zich met dat rechtsvermoeden niet verenigen. Hij vond dat steeds opnieuw naar objectiveerbare antecedenten zou moeten worden gevraagd.
Dan zou het kaartenhuis van Speyart ineenstorten. Speyart zou het plan van het verzet vindingrijk en ook sarrenderwijs saboteren. De procureur-generaal meende namelijk dat de politie voldoende gezuiverd was. Hij was onvermurwbaar. Hij zou zich de wet niet laten voorschrijven door de zelfbenoemde illegaliteit en zeker niet door de onder bevel van prins Bernhard staande Binnenlandse Strijdkrachten.
Zelfs de belangrijkste tegenstander van Speyart in deze kwestie, W.J.T. Serraris, hoofd van de arrestatie-afdeling van de BS in het district Den Bosch, moest toegeven dat 97% van de BS bestond uit 'meelopers of erger' die na de bevrijding waren toegestroomd. De opsporing, arrestatie en internering van 'foute' Nederlanders werd een chaos. In een woordenwisseling met mensen uit de illegaliteit eind 1944 vergeleek Speyart de BS met de bende van Toon van Soep! De bende, die was opgerold door de protestantse Marechaussee tussen 1934-1937! Deze ontactische uitlating ging vervolgens circuleren in illegale kringen. Ze nam mythische vormen aan.
Geen vernieuwing en slechts institutionele chaos
Alles wat misging met de vernieuwingsplannen van het voormalig verzet in Brabant werd hierna op het conto van de 'reactionaire procureur-generaal' geschreven. Diens grote starheid, overwaardering van het legaliteitsprincipe en autoritaire, vooroorlogse wijze van optreden deden het conflict nog scherper worden. Uiteindelijk moest de illegaliteit, gesteund door het Militair Gezag onder generaal H.J. Kruls, het onderspit delven in de arrestatiekwestie: de uit Londen overgekomen ministers-kwartiermakers vaardigden arrestatierichtlijnen uit conform de richting-Speyart.
Het verzet protesteerde. Het ging de Oisterwijkse ministers ritten en narijden en zelfs aanhouden op identiteitsbewijzen: het verzet was nog steeds machtig, wilden de excellenties dat even goed in de smiezen houden?

Vervolgens stuurde de illegaliteit rechtstreeks aan op de uitschakeling van de procureur-generaal. Hij moest koud gemaakt worden. Eind januari 1945 bezorgde zij Kruls een brief waarin stond dat Speyart binnen drie dagen uit de weg zou worden geruimd indien de regering hem niet uit het bevrijde zuiden weghaalde.
Speyart 'kaltgestellt'
Kruls toog naar Londen waar premier P.S. Gerbrandy - die Speyart in tijden van spanningen 'volkomen ongeschikt voor procureur-generaal' achtte - en koningin Wilhelmina aandrongen op het ontslag op staande voet van de procureur-generaal, maar minister van Justitie G.J. van Heuven Goedhart weigerde toch. Vermoedelijk uit vrees dat Speyart ongeremd de ene beerput na de andere zou openen in de ambtelijke procedure die stellig zou volgen. Tot en met de Hoge Raad! Vergeet niet: hij had het Bossche archief tot zijn beschikking in het Paleis van Justitie en de daarin voorhanden lectuur kende hij op zijn duimpje.
Als compromis werd Speyart voor twee maanden op studiereis naar de V.S. gestuurd. Hij werd kaltgestellt. Zoals de Duitsers dat ook handig hadden weten te doen in hun glorieperiode. De enquêtecommissie '40-'45 veroordeelde de handelwijze van Kruls en de regering: 'Men is hier geweken voor een bedreiging met terreur, die wellicht nog gefingeerd is geweest, hetgeen uit een oogpunt van handhaving van het gezag niet toelaatbaar geacht kan worden.'

