In 1827 bouwde Lith een nieuw gemeentehuis, aan de Dijk. Het oude raadhuis, dat tegen de middeleeuwse kerk aangebouwd was, voldeed niet meer. De nieuwbouw werd aangenomen voor ruim 3.700 gulden, maar uiteindelijk vielen de kosten hoger uit. Hoe dicht je zo’n gat?

De vroede vaderen van Lith kwamen al snel met een oplossing: de veldwachterswoning verkopen, indien mogelijk voor 300 gulden. En veldwachter Jan Bunk dan? Die zal wel snel over de eerste schrik heen zijn geweest. Zijn ambtswoning was zo bouwvallig dat hij hem onderverhuurde aan “arme menschen” en van de opbrengst zelf een ander, beter huis huurde. Dat laatste was nu ook niet meer nodig, want de gemeente richtte voor hem in het nieuwe gemeentehuis een aparte woning in.
De nieuwe woning voor Bunk was niet ingegeven door liefdadigheid of ter compensatie. Welnee, de argumentatie luidde: “Deze maatregel zoude zeer nuttig zijn, vermids het gemeentehuis dan steeds bewaakt wordt, én de gevangenen”.
Voor alle duidelijkheid: de woning van de veldwachter bevond zich op de benedenverdieping van het gemeentehuis, aan de achterzijde, en de gevangenis op dezelfde verdieping aan de voorzijde. Zo sloeg het gemeentebestuur twee vliegen in één klap.
Het opschrift van de eerste steen (die nu ingemetseld is in de dorpspomp) luidt:
“Op den 20 julij 1827
heeft de heer
Hermanus Bokstart
Secretaris dezer gemeente
den eersten steen
van dit gebouw gelegt”
