De uitbreiding van het dorp Strijp, later de wijk in Eindhoven, had geleid tot de stichting van de Teresiaparochie met de gelijknamige kerk. Maar zoals overal in Nederland liep de geloofsbeleving terug. In 2013 leidde dat tot sluiting van de kerk.
De geloofsbeleving tanend
De Heilige Teresia van Lisieux bleef óók in Herrijzend Nederland haar regen van rozen laten neerdalen op de Strijper gelovigen, meestal bankwerkers en glasblazers bij Philips, al waren er ook wel enkele bij die elders hun bete broods verdienden. Maar De Beer merkte toch dat na 1960 een zekere lankmoedige distantie begon te ontstaan als hij vanaf de kanselranden met beide handen beukend dat het galmde waarschuwde tegen de communisten, het consumentisme en, in verband daarmee, tegen de hinderlijke gewoonte om met de brommer al vroeg op pad te gaan om het Blauwe Meer bij Mol te vereren met een langdurig zondags bezoek.
De kerkdeuren stonden open en Zijn Eerwaarde zag ze voorbij knetteren met zwiepende hengels, moeder zich angstig vastklampend achterop. De maatschappij scheen zich af te keren van wat binnen de Teresiakerk geboden werd, al werd niet openlijk uitgedrukt wat de mensen er eigenlijk tegen hadden. Maar kapelaan Verhoeven kwam wel van huisbezoek thuis met verhalen over mensen die de kont tegen de krib duwden en te kennen gaven dat de geestelijkheid zich niet ambtshalve overal maar tegen aan moest bemoeien.

De gedialogiseerde volksmis
En ook Verhoeven scheen niet zuiver op de graat in dat opzicht, want hij gaf te kennen dat hij daar ergens toch ook wel kon inkomen. Maar de moeders stuurden hun kinderen toch wel naar de koorrepetities in het patronaat. En ook de gymnastiekvereniging “Pastoor van Ars” had nog best veel belangstelling, terwijl het hordehol van de Sint Sebastiaan-horde uitpuilde, want de goedkope kampvakanties die de padvinderij bood waren niet te versmaden. Opstandigheid was niet aan de orde.
Maar basale onverschilligheid, al deden de leerlingen van de Sint Willibrordusschool en de Teresiaschool allemaal nog netjes de Eerste Heilige Communie met de daaraan voorafgaande biecht, al was niet goed uit te leggen wat een “erfzonde” nu eigenlijk was. Niet meer. Vroeger ook niet, dat is waar, maar toen deed niemand daar moeilijk over. En nu wel. Het jaar 1968 bleek een breekpunt in de geloofsbeleving, vooral omdat toen de gedialogiseerde volksmis volledig in zwang kwam. Met stencils waarop geprint stond wat de mensen moesten antwoorden op de inleidende gebedsformules, beginnend met de mededeling dat onze Hulp in de Naam van de Heer was. Daarop moest geantwoord worden dat het ging om de Heer die Hemel en Aarde gemaakt had. Maar was er dan een andere?
Dat begon zelfs Sjaantje van den Berk zich af te vragen, Sjaantje van de kruidenierswinkel op de hoek Zeelsterstraat/Botenlaan. Een vraag die in de Latijnse Hoogmis nooit gesteld was. Het Teresiakoor begon te verlopen, niet door opzegging, maar gewoon door verjaring en sterfgevallen.

Drossende kapelaan
De kapelaan was inmiddels uit de pastorie weg. Hij scheen een vrouw gevonden te hebben, die hem volledig begreep. Het celibaat bleek niet alleen niet op te brengen. Maar het was zelfs een defecte levensstaat. Zo leerde de nieuwe moraal. Waar die precies opgediept was, bleef een raadsel. Niet te Rome. Dat was zeker. Al leerde de scheidingswand naar de absis van de Teresiakerk anders. Modernere gelovigen meenden dat daarom die wand maar gewit moest worden. Rome deugde niet, de maatschappij overigens evenmin. Die was zo rot als de pest. Aldus de vertegenwoordiger van De Rode Jeugd. Die kwam dat vanaf de kansel vertellen en ook bewijzen.
De Beer verschanste zich in de holle spelonk van zijn immense pastorie, gramstorig ’s avonds het nieuws beziend, want dat kon nu via de televisie. En wat De Beer zag, dat viel hem niet mee. Meiden met veel te korte rokken. Maar er waren nog ergere dingen. Dat bleek wel toen langharig tuig opstanden beraamden tegen Het Gezag.
Waaronder dat van de geestelijkheid die ineens niet meer in tel was. Kiske Loeffen, de oude koster, kon erover schimpen, onderwijl de enorme petroleumkachel in de sacristie roodgloeiend stokend, want Kiske had het altijd koud. De Beer ergerde zich aan dat gezeur. Maar eigenlijk ook aan alles. Kiske kreeg zijn congé. En er kwam geen nieuwe koster. Dat was niet nodig. En te duur. Dat was de mis zelf eigenlijk óók. Dat was het nieuwe inzicht.
Het kerkelijk personeel op de tocht
Dat merkten de misdienerkes en de acolieten best. Ze deden nog wel hun diensten, deze ondergeschikte ministranten, maar een eer was het niet langer en zeker geen uitverkiezing. Er kwam zelfs een geruchtmakende zaak aanhangig toen een acoliet zonder toereikende rechtsgrond zelfs de dienst van de kerstnachtmis verzuimde.
Daarvoor was ook oecumenisch geen enkele rechtvaardiging te bedenken, vooral niet nadat gerapporteerd was dat betrokkene op dat sacrosancte tijdstip was waargenomen in de bedenkelijke Club ’44 op de Eindhovense Markt. In bijwezen van meiden met minirokken en schelle stemmen, hippend op vallende ziekte-muziek. Van De Beer hoefde het niet meer allemaal, al zag de nieuwe kapelaan Robben nog wel degelijk lichtpuntjes in de de toekomst tegemoet hossende jeugd.
Nieuwe verschijningsvormen van Geloof
Maar Robben vierde dan ook vier dagen volledig carnaval en voerde een dweilorkest aan met daarin meiden als vorengenoemd en gediskwalificeerd. Waar dat heen moest, dat wist De Beer niet meer. En velen met hem. De Beer versomberde, kreeg kwalen en schichtte gramstorig op zijn zware herenfiets als een razende door het Eindhovens verkeer, naar het scheen stuurloos op weg naar onzienlijke einders. Maar voor de andere pastores bleek hetzelfde te gelden al kon de één het beter verheimelijken dan de andere.

De parochievergaderingen werden protestbijeenkomsten waarin veel gediscussieerd werd. Over van alles en nog wat. Als er maar engagement uit bleek. Met wát, dat telde eigenlijk minder. En daarom keek ook eigenlijk niemand er van op toen De Beer plots dood bleek op de zaterdagmorgen van 28 augustus 1976. Hij lag levenloos in het rijtjeshuis in de Teresiastraat dat hij noodgedwongen had betrokken omdat de immens pastorie te duur bleek en overigens nodeloze distantie veroorzaakte tussen priester en Gods volk dat steeds meer service aan huis eiste zonder contributie te willen betalen.
Het vijfenzeventigjarig jubilee
In 2003 werd nog het vijfenzeventigjarig bestaan van het immense godshuis op De Heuvel van Strijp gevierd. Maar toen dreef het vocht al uit de spouwen van de geglazuurde groene muren. Het zo gekoesterde kerkorgel viel inmiddels uit elkaar van ellende. Niet meer op stoom te krijgen. En dat terwijl het zo deerlijk gegromd en getrild had op de Toccata en Fuga in D-dur van Johann Sebastian Bach bij het schuifelend verlaten van de door wierookdampen overtogen kerk na de hoogmis. Dat het dure gebouw daarna aan de eredienst werd onttrokken verbaasde niemand. Daaruit is een les te trekken. Maar welke, dat laat BHIC graag aan ieders godsoordeel over.
