De val van ’s-Hertogenbosch – want dat was de overgave in 1629 aan Frederik Hendrik voor het overgrote deel van de Bosschenaren – heeft diepe, langdurige consequenties gehad voor de stad en haar inwoners. Een direct gevolg was dat de gehele bestuurlijke elite, die de stad al eeuwen had bestuurd, in één klap buitenspel kwam te staan. Neem nu bijvoorbeeld Jacob van der Cammen.
Wanneer Jacob precies is geboren weten we niet, maar het moet in de eerste helft van de jaren ’80 van de zestiende eeuw zijn geweest. Hij werd geboren in een welgestelde Bossche familie en gedoopt in de Sint-Jan. Zijn vader, ook Jacob (c.1543-1586) geheten, was – net als diens vader Frans (c.1502-1565) – schepen van ’s-Hertogenbosch geweest en behoorde tot de bestuurlijke en economische elite van de stad. De toekomst van de jonge Jacob zag er dan ook rooskleurig uit.
Den Bosch rond 1600

Cammen in het Wapenboek van de
Illustre Lieve Vrouwe Broederschap
In de stad waar Jeroen Bosch een eeuw eerder rond had gelopen zette de jonge Jacob zijn eerste voetstappen. Net als in de tijd van de beroemde schilder was Den Bosch ook in de decennia rond het jaar 1600 een door en door katholieke stad. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar is dat bij nader inzien allerminst.
De opkomst van de reformatie in de loop van de zestiende eeuw was namelijk zeker niet ongemerkt voorbij gegaan aan ’s-Hertogenbosch. In 1566 raasde de Beeldenstorm maar liefst tweemaal door de stad, in 1579 liepen de spanningen tussen calvinisten en katholieken zo hoog op dat het tot een ware veldslag op de Markt kwam: het Schermersoproer. Uiteindelijk dolf de calvinistische factie het onderspit. Den Bosch koos in de burgeroorlog die op dat moment de Nederlanden verscheurde, de kant van de Spaanse Koning, van de katholieke partij. Een grote groep Bosschenaren met calvinistische sympathieën verliet de stad, waar het katholieke geloof voortaan weer de enige maat was en waar de contrareformatie, de katholieke reactie op de reformatie, stevig wortel schoot. Zozeer dat latere pogingen tot calvinisering geen schijn van kans meer zouden hebben.
Jacob van der Cammen in Den Bosch
In de daaropvolgende jaren wisselden de oorlogskansen herhaaldelijk en schoof de frontlinie heen en weer. Maar decennialang lang lag ’s-Hertogenbosch als een meer of minder vooruitgeschoven katholieke post op een steenworp afstand van het territorium van de opstandelingen, waar katholieken tot tweederangsburgers waren gedegradeerd. In die militant katholieke stad groeide Jacob van der Cammen op. Als jonge tiener zal hij er de plaatselijke Latijnse School hebben bezocht, om in 1599 aan de Leuvense universiteit rechten te gaan studeren.
Getooid met de titel van licentiaat in de rechten keerde hij terug in zijn geboortestad, waar hij in 1607 trouwde met Maria van Vechel, dochter uit een andere Bossche schepenfamilie. Als jonge dertiger werd mr. Jacob al snel, in 1608, tot schepen van de stad benoemd en opnieuw in 1612. Daarmee was hij voortaan raadsheer van de stad en voor het leven lid van het stadsbestuur. Althans, zo was het tot dan toe al eeuwenlang geweest. In 1615 werd hij als één van de stadsrentmeesters verantwoordelijk voor de stedelijke financiën. Dit ambt bleef hij bekleden tot aan de capitulatie van 1629.
Net als veel van zijn collega-stadsbestuurders vervulde Jacob vele andere openbare functies: hij was kerkmeester van de Sint-Jan, blokmeester van het blok van de Kerkstraat en in 1629 kapitein van de schutterij van de Oude Voetboog (en in die rol ongetwijfeld actief betrokken bij de verdediging van zijn stad in dat omineuze jaar). Net als het gros van de bestuurlijke elite was hij gezworen lid en tweemaal proost van de prestigieuze Illustre Lieve Vrouwe Broederschap.
Jacob zal het contrareformatorische vuur van jongs af aan hebben meegekregen. Net als in veel families koos ook bij de Van der Cammens een telg voor een religieus leven: Jacobs zus Catharina trad in bij de Bossche Clarissen. Jacob zelf zien we in 1613 als secretaris bij een nieuw opgerichte Mariacongregatie. Bovendien was hij sindicus of syndicus – wat zoveel wil zeggen als juridisch adviseur - van het Bossche Minderbroedersklooster.
Het annus horribilis 1629
Midden veertig, als een man van aanzien, een gewaardeerd en prominent burger van Den Bosch, maakte Jacob van der Cammen in 1629 het beleg van zijn geboortestad mee, zeer waarschijnlijk dus zelfs in een actieve militaire rol. De val van de stad die met de capitulatie van 14 september een feit was, moet ook bij hem als een mokerslag zijn aangekomen. De onoverwinnelijk geachte moerasdraak bleek toch te verslaan. Den Bosch kwam onder Staats bewind, met alle gevolgen van dien: de katholieke kerk werd in de illegaliteit gedreven, katholieke burgers werden van openbare ambten uitgesloten, daardoor feitelijk gedegradeerd tot tweederangsburgers.
Voor de leden van het Bossche stadsbestuur, dus ook voor Jacob van der Cammen, betekende 1629 eerst en vooral een abrupt einde aan hun bestuurlijke functie en politieke invloed. De nieuwe machthebbers in Den Haag benoemden een volledig nieuwe schepenbank en een beperkt aantal nieuwe raadsheren. Voor de oude bestuurders was geen rol meer weggelegd in het nieuwe stadsbestuur, zij werden zonder pardon aan de kant gezet.
Na 1629 wordt Van der Cammen in de bronnen steevast aangeduid als oudt raedt dezer stadt. Openbare functies waren voortaan taboe voor hem, maar hij bleef wel actief als jurist, advocaat, procureur en zaakwaarnemer in en rond Den Bosch. Opvallend vaak vertegenwoordigde hij katholieke geestelijken uit de Zuidelijke Nederlanden die hun bezittingen in Den Bosch en omgeving, in hun ogen nu vijandig gebied, wilden liquideren. Zo verkocht hij bijvoorbeeld in 1632 namens heer Adolph Blijleven, kanunnik in Kamerijk een erfrente op de stad ’s-Hertogenbosch (Bosch’ Protocol 1509 554v).
In Berlicum

De hoop op een – in zijn ogen althans – bevrijding van zijn geboortestad, een herstel van de katholieke hegemonie, zal Jacob net als veel van zijn stadsgenoten niet hebben laten varen. Maar de ontwikkelingen na 1629 en zijn eigen veranderde rol moeten ’s-Hertogenbosch voor hem tot een droeve woonstee hebben gemaakt. Zoals zoveel notabelen bezat hij naast een woning in Den Bosch ook goederen buiten de stad, in de Meierij, onder andere de Loofaertse Hoeve in Berlicum. Deze hoeve fungeerde wellicht als buitenverblijf of ‘speelhuisje’ voor de familie? Na 1629 trok Jacob zich steeds vaker terug in Berlicum, wellicht eerst op de Loofaertse Hoeve, maar in ieder geval vanaf de jaren 1630 huurde hij het kasteel ter Aa van de familie Pels. Zijn weduwe woonde daar in 1658 nog steeds.
Nog meer dan in de decennia daarvoor was het platteland rondom ’s-Hertogenbosch na 1629 een speelbal tussen de strijdende partijen: beide claimden de souvereiniteit, met als gevolg dat de plattelanders met twee ‘overheden’ te maken kregen, wat resulteerde in dubbele lasten en een hoop geweld. Niet in het minst hadden katholieke geestelijken, vooral de parochieherders, hieronder te lijden.
Rentmeester van Berne

Berlicum, later abt van Berne (1668-1676). Auteur van het
treurdicht voor Jacob van der Cammen
(Collectie Abdij van Berne)
De Berlicumse kerk, waar Van der Cammen en zijn gezin, als overtuigde katholieken, de mis bijwoonden, werd bediend door de norbertijnen van de Abdij van Berne. En met die norbertijnen knoopte hij nauwe banden aan, met de Berlicumse pastoor Paulus van den Dael, diens kapelaan Joachim Keijsers en Jan Moors, voormalig pastoor van Berlicum en inmiddels abt van Berne, die in die tijd regelmatig in Berlicum en in Heeswijk op het zogenaamde Slotje verbleef. Zo lezen we in het dagboek van Moors dat de abt op zondag 11 november 1635 met de pastoor van Berlicum, frater Joachimus en Van der Cammen na de middag is gaan wandelen. Mogelijk waren die banden overigens al ouder, uit Van der Cammens Bossche tijd, want de Bernenses hadden immers tijdens de troebelen van de late zestiende en begin zeventiende eeuw lange tijd – tot 1629 - een veilig heenkomen gezocht en gevonden achter de stevige muren van Den Bosch.
Op de een of andere manier resulteerden deze warme contacten met de witheren in de benoeming van Van der Cammen tot rentmeester over de goederen van de abdij van Berne in Brabant en het Land van Ravenstein, getuige een document uit 1634, dat tot op de dag van vandaag wordt bewaard in het archief van de abdij: Instructie voor Jacop vander Cammen Licentiaet inden Rechten, omme dijenvolgende t’Rendtmeesterschap der goederen vander Abdije van Berne, zoo in Brabant, als inden Landen van Ravensteijn gelegen te bedienen.

In de rol van rentmeester komen we Van der Cammen zeer regelmatig, vele honderden malen, tegen in het dagboek van Abt Moors. Vrijwel steeds gaat het in die dagboekaantekeningen om zaken van economische aard. We volstaan met enkele voorbeelden ter illustratie: Van der Cammen schrijft pachtcontracten (29-12-1635); hij reist naar Schaijk om daar diverse zaken te regelen (14-4-1636); hij gaat naar Den Bosch om een keukenmeid te zoeken voor de abt (12-6-1636); hij gaat naar Heesch om daar de aanspraken van de abdij op een stukje land te verdedigen (26-6-1636); blijkbaar zonder succes, want een week later vinden we hem weer in Heesch, dit keer met zwaardere middelen: hij markeert de grens van het land van de abdij met palen om te voorkomen dat locale boeren zich grond toe-eigenen (3-7-1636); een paar maanden later neemt hij een paard naar Loon op Zand om de schade op te nemen aan de abdijhoeve aldaar, die vrijwel geheel verwoest was door het Staatse leger. En zo kunnen we nog bladzijdenlang doorgaan. Wie er geen genoeg van kan krijgen: lees de vertaling van het dagboek van abt Moors er maar op na.
Overlijden en begrafenis (maart 1639)

En zo gaat Van der Cammen jarenlang door met zijn werkzaamheden voor de abdij, tot het bittere einde. Op 22 februari 1639 noteert abt Moors dat hij in Berlicum een bezoek brengt aan Van der Cammen adhuc infirmum, nog steeds ziek. Blijkbaar was Jacob al langer ziek, naar het zich laat aanzien zelfs ernstig ziek, want enkele dagen later, op 1 maart, noteert de abt: Vandaag tussen 8 en 9 uur in de ochtend is onze rentmeester de heer Van der Cammen in Berlicum de weg van alle vlees gegaan. Dat hij ruste in vrede. Op 4 maart reist Moors uit Heeswijk naar Berlicum om de uitvaart van zijn overleden rentmeester bij te wonen.

de zestiende en zeventiende eeuw, bijvoorbeeld die
van Johan Monix (†1592), diens vrouw Isabeau de
Bever (†1611) en hun zoon Arnt, Berlicum, protestantse
kerk (foto: M.C.J. van Tilborg).
Jacob werd niet in zijn geboortestad begraven, hoewel daar in de Sint-Jan het familiegraf van de Van der Cammens lag, waar zijn vader en grootvader waren bijgezet. Deze grafzerk is ook vandaag de dag nog te bewonderen. Toch koos Jacob niet voor een laatste rustplaats bij zijn voorouders. Niet omdat dat na 1629 niet meer mogelijk zou zijn, want katholieken werden ook nadat die kerk in protestantse handen was overgegaan, gewoon in de Sint-Jan begraven. Het begraven zelf was niet zozeer het probleem, als wel de bijbehorende katholieke begrafenisrituelen. Die waren na 1629 in Den Bosch uit den boze. Dat moet zwaar gewogen hebben voor Jacob, zo zwaar dat hij ervoor koos om niet in een vijandige omgeving, al was het dan bij zijn voorvaderen, te worden bijgezet, maar te worden begraven in een katholieke kerk volgens het traditionele, uitgebreide katholieke begrafenisritueel. Het werd dus de kerk van de woonplaats van zijn laatste levensjaren, die van Berlicum. Het ligt voor de hand dat daar een grafzerk is vervaardigd. Maar als dat al zo is, dan is die niet bewaard gebleven.
Zijn norbertijnse vrienden lieten Jacob van der Cammen ook op zijn laatste tocht niet in de steek. Zoals gezegd woonde abt Moors de uitvaart persoonlijk bij, de dienst zal zijn geleid door pastoor Van den Dael of kapelaan Keijsers. Met die laatste lijkt Van der Cammen een bijzondere band te hebben gehad. Keijsers wijdt een uitgebreide passage in het Berlicumse begraafboek aan zijn amicus optimus, zijn beste vriend, met onder andere een latijnse gedicht dat hij ter nagedachtenis aan zijn vriend schreef. Dat gedicht noteerde hij bovendien nog een keer, tussen recepten voor een medicijn tegen tandpijn en een syropus laxativus, in een aantekeningenboekje, dat tegenwoordig nog op de abdij wordt bewaard (Handschrift 61). De zielenroerselen van kapelaan Keijsers zijn hier (opent in een nieuw tabblad) na te lezen.
Meer over abt Moors en zijn dagboek
literatuur:
- Dagboeken van Abt Moors:
- Christian de Backer, ‘Vroeg-Zeventiende eeuwse recepten uit de abdij Berne te Heeswijk-Dinther’, Volkskunde 90-1 (1989) 21-36, aldaar 23, 30.
- Wim van der Heijden, De twee kastelen ter Aa te Berlicum (Berlicum 2000) 30-38.
- Carolina Lenarduzzi, Katholiek in de Republiek. De belevingswereld van een religieuze minderheid 1570-1750 (Nijmegen 2019).
- A.F.O. Sasse van Ysselt, 'Grafzerken en wapenborden in de Hervormde Kerk te Berlicum', Taxandria 20 (1913) 123-132, aldaar 126.


