Kort voor de Tweede Wereldoorlog vormen de dorpen Alem, Maren en Kessel samen met het buurtschap ’t Wild nog een eigen gemeente op de Brabantse dijk van de Maas.
Na de kanalisatie van de Maas in de dertiger jaren van de vorige eeuw komt Alem aan de andere zijde van de gekanaliseerde Maas te liggen. Na de Gelders-Brabantse grenscorrecties van 1958 is Alem gevoegd bij de voormalige Gelderse gemeente Maasdriel en Maren, Kessel en 't Wild bij de voormalige Noord-Brabantse gemeente Lith.[1] Mijn opa exploiteerde een fiets- voetveer tussen ’t Wild en Kerkdriel. ’t Wild heeft het oorloggeweld niet doorstaan en is verderop herbouwd. Na het oorlogsgeweld heeft opa het veer tot ongeveer 1958 geëxploiteerd.
Het gezin van mijn opa en de familie Van Kessel woonden aan de dijk op ’t Wild. Het gezin bestaat dan naast de ouders Marie en Albert uit 11 kinderen: 7 meisjes en 4 jongens. Op de foto staat het toenmalige huis aan de dijk, voorzien van de tekst: A. van Kessel veerman met huisnummeraanduiding D13.

Als mijn ouders trouwen, is mijn vader 30 jaar oud en mij moeder 26 jaar oud. Ze huwen op 13 juni 1944 in Maren voor de kerk en de wet. Kort daarop wordt in oktober deze kerk door de Duitsers verwoest. Op 3 oktober 1944 geeft de Duitse SS aan de bewoners van het gehucht ‘t Wild het bevel om hun huizen te verlaten. De buurtschap wordt dan bijna geheel verwoest. Het gezin van mijn opa wordt geëvacueerd naar Lith waar mijn moeder sinds haar huwelijk woont.

Na de bevrijding keren de bewoners terug naar ’t Wild waar zij worden gehuisvest in noodboerderijen. Dat is niet gebeurd op de plaats waar de oude huizen hebben gestaan, op de dijk, maar meer landinwaarts. Nu de Maaswerken in 1942 zijn afgerond en de Beerse Overlaat is gedicht, wordt het wonen op lager gelegen plaatsen mogelijk. In eerste instantie worden er een vijftal noodwoningen in de vorm van een boerderij gebouwd op een wat hoger gelegen plaats, zodat bewoners kunnen terugkeren. Het zijn witgekalkte donkere boerderijen met rieten dak, een stal en woongedeelte (figuur 3). In de stal staan dan een stuk of zestien melkkoeien en opa heeft dan een paard en weide gronden langs de Gewandeweg, tussen de dijk en de Paalderweg en een akker bij de Hertogswetering. De woningen staan dan parallel aan de huidige Nieuwe Provincialeweg die midden in de jaren vijftig is aangelegd. Mijn broer en ik spelen dan op de stapels klinkers die dan voor de toenmalige café Van Rossum staan opgeslagen.
Mijn opa is veerman op een voet- en fietsveer geweest dat een aantal jaren daarvoor is geëxploiteerd door Hannes van Kessel (1848). Na het overlijden van Hannes neemt zijn zoon Janus het veer over tot hij als lekenbroeder intreedt in het klooster Mariënkroon in Nieuwkuijk.[3] Waarschijnlijk is opa in 1934 verhuisd naar de woning uit figuur 1 en heeft hij het voetveer overgenomen van Janus. Voor en na de oorlog blijft hij het voet- en fietsveer bemannen, samen met zijn dochters. In 1953 krijgt mijn opa net als vele andere inwoners van ’t Wild een vergunning voor het bouwen van een boerderij aan de Leeuwkesgraaf weg (zie figuur2). De ligging van de boerderij is waarschijnlijk ingegeven door de bereikbaarheid van het veer naar Kerkdriel.

Aan weerszijden van de Maas staat een metalen rek met daaraan een bel. Als passagiers de Maas over willen steken, wordt er geklingeld met de bel en loopt de veerman naar de veerboot om de passagiers over de Maas te roeien. Naast de grote houten roeiboot ligt een ijzeren roeiboot die inzetbaar is bij onderhoud en eventuele calamiteiten (figuur 4). Als mijn broer of ik op vakantie zijn, mogen we mee naar de Maas als opa onderhoud uitvoert aan de veerboot. De houten roeiboot wordt met teer en hennep opnieuw waterdicht gemaakt. Deze techniek noemde hij 'breeuwen'.

Naast de veerdam is een losplaats en aan de andere zijde een zandplaat. De bevoorrading van de bewoners vindt tot het dichten van de Beerse Overlaat (1942) gedeeltelijk plaats met pakketboten. De dorpen zijn grote delen van het jaar moeilijk bereikbaar over de weg, doordat het gebied deels fungeert als bedding van de Groene Rivier als de Beerse Overlaat in werking treed. Na het openen van de Nieuwe Provinciale, het huwelijk zijn laatste roeister en de toenemende mobiliteit heeft opa omstreeks 1958 het besluit genomen om het veer op te heffen.
Noten
[1] Mechtilde Meijer, 'De Wildenaren, goei minse' in: Maaskroniek (2010), pp. 1 en 5
[2] J. Cuijpers, 'Dorpsverplaatsingen aan de Noord-Brabantse Maaskant in de wederopbouwperiode' in: Historisch Geografisch Tijdschrift, jaargang 21, nr. 2, 2003, pp. 51 en 55
[3] Wikipedia, pagina Alem, Maren en Kessel - Wikipedia, geraadpleegd 8 december 2025
De tekst van dit artikel is gepubliceerd onder een CC BY-SA 4.0-licentie. Voor de illustraties geldt de licentie die in het bijschrift is vermeld.
