Sinds 1810 was er in Nederland een militaire dienstplicht. Je kon hier echter onderuit komen door iemand anders in jouw plaats te laten gaan. Hendrik Arts uit Sint Anthonis maakt hiervan gebruik voor drie van zijn zonen. Eén van de vervangers is Johannes Oppermans uit Rijkevoort die zich hier graag voor liet betalen. Het leven van Johannes kent vervolgens een tragisch verloop in het leger.
De militaire dienstplicht werd in Nederland in 1810 door de Fransen ingevoerd. Door middel van loting werd bepaald welke jongemannen in dienst moesten. Als je ingeloot was kon je, in de 19e eeuw, een plaatsvervanger aanwijzen die in jouw plaats in dienst ging. Van dit zogeheten remplaçantenstelsel werd veel gebruik gemaakt. Niet alleen door mensen met wat geld wiens zonen waren ingeloot maar ook juist door arme jongemannen die op deze manier wat geld konden verdienen. Tussen 1815 en 1830 was het percentage plaatsvervangers zo’n 20 tot 25%.
Hendrik Arts (1757-1840) is schout en burgemeester van Sint Anthonis tussen 1800 en 1830. Hendrik maakt voor drie van zijn zonen gebruik van het remplaçantenstelsel. Allereerst in 1812 voor zijn oudste zoon Peter Arts. De akte is geheel in het Frans. ‘Que Jean Gielens susdit s’ oblige et promes de remplacer comme conscrit un des fils du Sieur Henri Arts’. Ofwel, Jan Gielens belooft en verplicht zich tot vervanging van de conscriptie (dienstplicht) van één van de zonen van de heer Henricus Arts. Jan Gielens krijgt hiervoor vooraf ‘la somme de quarante florins, un Montre en Argent, une Camisole, un Pantalon, une paire de Souliers et une paire de bas’, ofwel een som van veertig florijnen, een zilveren horloge, een hemd, een broek, een paar schoenen en een paar sokken. Na de diensttijd krijgt Jan dan nog eens ‘la somme de six cent florins argent d’hollande’ (zeshonderd florijnen Nederlands zilver).

In 1821 maakt Hendrik een vergelijkbare afspraak voor zijn zoon Theobaldus Arts. ‘Petronella van den Berg, huisvrouw van Mathijs Jacobus Jans, linnewever, wonende te St Anthonis verklaart dat haren man zich als plaatsvervanger voor Theobaldus Arts, zoon van Henricus Arts, Schout der gemeente St Anthonis, te verbinden waartoe zij zich bij deze hare volle toestemming verleent’. Als tegenpresentatie verplicht Hendrik zich om ‘zoodra Mathijs Jacobus Jans voor Theobaldus Arts zal zijn in dienst getreden, aan zijne huisvrouw tot onderhoud, zoo van haar, als haar eenig kind, gedurende den actieven Dienst te zullen betalen’. Naast dat Hendrik in het levensonderhoud van Petronella en haar kind voorziet, krijgt zij van hem ‘eene Somma van vijftig Guldens’ en een weefgetouw.
In 1813 maakt Hendrik gebruik van Johannes Oppermans uit Rijkevoort als plaatsvervanger voor zijn zoon Arnoldus Arts. Johannes blijkt, net als Hendrik, ook goed gebruik te maken van het remplaçantenstelsel, maar dan als ‘beroepsvervanger’. De kleermaker Johannes Oppermans verklaart bereid te zijn om ‘de remplacer dans l’armée active ou de reserve en terre ou mer’ (ter vervanging te dienen in het actieve of reserveleger ter land of ter zee) voor zowel Arnoldus, zoon van de burgemeester Hendrik Arts, als voor Martinus, zoon van de molenaar Reinier Cleophas. Johannes zal hiervoor, als hij ook daadwerkelijk twee jaar in dienst gaat, een bedrag van 1.218 francs krijgen.
Zowel Arnoldus als Martinus worden niet opgeroepen, dus daar gaat de bijverdienste van Johannes. Maar hij probeert het twee maanden later in oktober 1813 weer voor de metselaar Hendrik Hutten, ook voor 1.218 francs. Hendrik Hutten geeft aan hiervoor een obligatie uit te betalen aan Hendrik Arts de burgemeester. Maar ook Hendrik Hutten wordt niet opgeroepen.
Voor de derde maal, nu op 28 maart 1814, laat Johannes vastleggen dat hij de dienstplicht voor iemand wil vervullen. Dit keer voor Peter, zoon van de landbouwer Simon van der Linden, voor het bedrag van 200 guldens. In de akte is nog speciaal opgenomen dat Johannes ‘zich in den Dienst zal gedragen als een getrouwe en Eerlijk Man… en deze niet te zullen verlaten op verbeurte van hetgeen hem is toegekend’. Tja, zagen zij al iets aankomen?
Volgens zijn militaire stamkaart meldt Johannes uit Riekevort zich op 1 mei 1814 bij het garnizoen van Den Bosch als vervanger van Peter van der Linden. Johannes is daar fuselier (geweerschutter) bij de infanterie. Maar blijkbaar bevalt het Johannes hier niet zo. Hij is gedeserteerd den 1 Augustus en wordt als snel opgepakt in zijn geboorteplaats Rijkevoort. Hij wordt verhoord op 11 augustus 1814 in Boxmeer. Uit het verslag blijkt dat hij zijn soldatenkleren voor f 2,- heeft verkocht aan een kleermaker te Aarlebeek, die hem had aangeraden zich naar het keizerlijk Oostenrijks gebied te begeven. Johannes wordt veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf wegens zijn misdaad van desertie eerloos, enfaam en onwaardig te zijn om den Landsoort als militair ten dienen.


Tja, en hoe ging het verder met Johannes? Hij wordt nog genoemd in 1824. Er is dan een gewelddadige inbraak geweest bij zijn vrouw Elisabeth. Zij woont dan met hun dochter Catharina bij Jan Oppermans, de vader van Johannes, op de hei aan de grote weg van Rijkevoort op Haps. Elisabeth verklaart dat haar man Johannes Oppermans zwerft op zee. Dochter Catharina trouwt in 1839 en geeft aan dat zij onbekend is met de plaats en juisten tijd van overlijden van haar vader.
Bij nader onderzoek vond ik dat Johannes op 1 maart 1815 vanuit de militaire gevangenis in Breda als matroos was aangenomen op het schip de Cesar voor een periode van zes jaar. En vervolgens vond ik een dood-extract van het militair hospitaal op Samarang (Nederlands Indië) dat Johannes aldaar was overleden aan cholera in april 1821. Eén maand na het uitdienen van zijn zes jaar dus! En blijkbaar heeft het leger Johannes zijn vrouw hiervan niet op de hoogte gesteld want zij dacht dat haar man in 1824 nog op zee was.


En hoe verging het met de zonen van Hendrik Arts? Peter volgt in 1830 zijn vader op als burgemeester van Sint Anthonis. Arnoldus wordt landbouwer en zorgt voor vele generaties grote boerengezinnen in Sint Anthonis. Theobaldus overlijdt als vrijgezelle jongeman in 1826 een paar jaar na zijn dienstoproep.
