Het comité Esch in Oorlogstijd herdenkt op 4 mei alle slachtoffers die gevallen zijn door oorlogsgeweld. Tevens staan ze stil bij de (burger)slachtoffers die tijdens de Tweede Wereldoorlog en bij de bevrijding in Esch gevallen zijn. Zij trachten aan te sluiten bij het landelijke thema, maar brengen tevens een stukje geschiedenis uit het verleden van Esch tussen 1940-1945 onder de aandacht. In 2024 stonden zij stil bij het verhaal van An en Giel Konings. Ze mochten dankbaar gebruiken maken van het boek dat Giel schreef, samen met zijn zoon Michel: Mijn Verhaal, Esch 1940-1948.
Giel Konings werd geboren in Esch op 29 april 1917 en is op 21 januari 2001 in ’s-Hertogenbosch overleden.

daaronder: Dorus Konings en Jaan van Brunschot
Hij was de oudste zoon van Theodorus Konings (geboren 31 augustus 1893, overleden 21 oktober 1955) en Adriana Cornelia van Brunschot (geboren 25 april 1893, overleden 15 februari 1976). Zij trouwden op 4 juli 1916. De vader van Giel, “Dorus” of “Doruske” was slachter. Hij had aan huis een kruidenierswinkel, waar hij ook allerlei boerengerief zoals spijkers, prikkeldraad, klompen, evenals textiel (lappen katoen, linnen, overalls en kielen) verkocht. De winkel exploiteerde hij samen met zijn vrouw Jaan, die ook nog de zorg had voor de andere drie kinderen. Ze woonden in de Dorpsstraat, op nummer 2, te Esch.
An van de Pas

dan Sjaan, vader Janus, moeder Gerardina, Dinie
An van de Pas werd geboren op 20 januari 1920 en is overleden in 2010. Zij was de oudste dochter van Adrianus van de Pas (geboren 8 januari 1882, overleden 28 augustus 1965) en Gerardina van Son (geboren 4 mei 1887, overleden 28 november 1943).
Zij trouwden op 20 juni 1916. Janus, de vader van An, had zijn werk bij de spoorwegen. Zijn vrouw Dien had de zorg voor de zeven dochters. Ze woonden buiten de bebouwde kom, “in de hei”, Heikant 12. Tijdens de ernstige ziekte en na het overlijden van haar moeder, heeft An de zorg voor haar zussen en het hele huishouden gedurende vele jaren op zich genomen.
Tijdens de oorlogsjaren was Giel gemeenteambtenaar in Esch (gemeentehuis tegenover het ouderlijk huis). Na de bevrijding heeft Giel nog een tijdje gewerkt als adjunct-kampcommandant van Kamp Westerbork (toen in gebruik als bewarings- en interneringskamp voor gearresteerde foutieve landgenoten). Daarna keerde hij weer even terug naar het gemeentehuis van Esch. Vanaf 1947 is hij gaan werken bij de gemeente ’s-Hertogenbosch, een dienstverband van ruim dertig jaren.
Giel kon vanuit zijn positie als gemeenteambtenaar invulling geven aan het vele verzetswerk. Hij wilde graag op allerlei manieren Joden, neergekomen piloten, werkweigeraars en onderduikers helpen. Daarvoor had hij de steun van een omvangrijk geheim netwerk van verzetsmedewerkers. Twee belangrijke personen waar hij mee samenwerkte waren Antoon van den Braak (Esch) en Mr. Harrie Holla (juridisch adviseur, Vught).Giel ontdekte een manier om valse persoonsbewijzen als echte legale persoonsbewijzen uit te reiken aan personen die deze nodig hadden. Het lukte hem om meer dan 80 “legale” persoonsbewijzen uit te reiken, zelfs aan bijzondere personen (particuliere secretaris van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard).
Giel daarover: “Bijzonder was de uitreiking van een vals persoonsbewijs aan mevrouw Jet Cahen uit Vught. Zij was Jodin, gehuwd en in verwachting. Na een niet plaatsgevonden val van de trap simuleerde zij een hersenschudding en werd op medisch advies opgenomen in het Carolus ziekenhuis te ’s-Hertogenbosch. Mij werd verzocht een oplossing te zoeken om haar op papier als niet-Jodin in het bevolkingsregister op te nemen. Ik zag daarvoor twee mogelijkheden: a. een valse huwelijksakte; b. opname in het bevolkingsregister als ongehuwde. In beide gevallen zou het kind ook een valse achternaam krijgen. Voor het laatste heb ik gekozen. Na de voorbereidende werkzaamheden in het gemeentehuis om de uitgifte van het valse PB te regelen, ben ik met alle benodigde spullen naar het afgesproken adres in ’s-Hertogenbosch gegaan. Plaats van samenkomst het kantoor van rijwielfabriek Jansen, dicht bij het Carolus ziekenhuis. Daar heeft de uitreiking plaats gehad. Als adres van vestiging had ik voor haar gekozen het klooster van de Witte Zusters “Sancta Monica” in Esch. Ik had haar als non ingeschreven in het bevolkingsregister van Esch. Mevrouw Cahen is op 26 januari 1944 in het gebouw “Moederheil” in Ginneken bij Breda, op papier als ongehuwde moeder, bevallen. Na de bevrijding is er een gecorrigeerde geboorteakte opgemaakt.”

Daarna verhuisden ze naar ’s-Hertogenbosch. Ze kregen drie zonen
(Theo, Ad, Michel-overleden) en een dochter (Ine-overleden)
Giel hield zijn vondst, het uitgeven van legale valse persoonsbewijzen, niet voor zichzelf, maar stelde deze volledig ter beschikking van de illegaliteit. Daarnaast hield hij zich bezig met allerlei andere verzetsactiviteiten zoals: verduisteren en distribueren van bonkaarten, verduisteren van brandstof, onderbrengen van onderduikers, verstoren van de inlevering van radiotoestellen, informatie voor het verzet verzamelen, onderhouden van verzetscontacten, medewerking aan illegaal verzetsnieuws. An ondersteunde Giel in al zijn activiteiten, maar vooral als koerierster. Een koerierster was iemand die op verzoek, of in opdracht van het verzet, berichten overbracht en materialen vervoerde van een bepaald adres naar een ander. Zo werden er geld, bonkaarten, persoonsbewijzen en vuurwapens vervoerd. Ook kon van belang zijnde informatie zo persoonlijk worden doorgegeven.
“Voor onderduikers die ik zelf had ondergebracht, kreeg ik via, via bonkaarten. An haalde die bonkaarten op in ’s-Hertogenbosch. Hierbij was ik wel aanwezig. We gingen altijd op de fiets en in verband met spertijd overdag. Een heel enkele keer reden wij over Kraaienbroek via Vught naar ’s-Hertogenbosch. Maar in het algemeen namen wij de rijksweg vanaf het kruispunt, bij het inmiddels afgebroken klooster van de Witte Paters “Sint Charles”. An ging altijd slank naar ’s-Hertogenbosch. Op de terugweg zag ze eruit alsof zij in verwachting was. Ze was zelfs “hoogzwanger” als er meer soorten bonkaarten tegelijk vervoerd werden. Op weg terug naar Esch bleef ik haar op geringe afstand volgen. Bij thuiskomst konden de bonkaarten natuurlijk niet altijd direct aan de onderduikers of hun verzorgers worden afgegeven. We hadden een veilige opbergplaats gevonden. Achter het woonhuis van An aan de Heikant stond een berging, gedekt met pannen, die beschoten was met riet. Door dit riet voorzichtig opzij te schuiven konden de bonkaarten tot een bepaalde dikte tussen riet en pannen worden gestoken. Hierna werd het riet in de oude stand teruggeschoven. Behalve An en ik was niemand hiervan op de hoogte.”
Hoofd van de Luchtbeschermingsdienst
Giel was tijdens de oorlogsjaren in Esch Hoofd van de Luchtbeschermingsdienst (LBD), vrijwilligers met als taak het waarschuwen van mensen bij een te verwachten luchtaanval én hulp verlenen bij calamiteiten, zoals EHBO-hulp, vervoer van gewonden en puin ruimen.
“Als Hoofd van de LBD had ik voor het vervoer van gewonden de beschikking over twee grote vaten met motorbrandstof. Die voorraad lag opgeslagen op de binnenplaats van het Essche gemeentehuis. Tijdens een vergadering in het gemeentehuis van Haaren van illegale werkers uit Haaren, Oisterwijk en Udenhout bleek het volgende. Een verzetsgroep uit Udenhout had voor activiteiten brandstof nodig. Deze groep stond onder leiding van “Rooi Jantje”, afkomstig ergens uit Limburg. Ik heb hem aangeboden dat, van de in Esch opgeslagen hoeveelheid brandstof, tweederde mocht worden meegenomen. Het ophalen zou vanuit Udenhout gebeuren in de nacht van 29 juni 1944 (verjaardag prins Bernhard). Rooi Jantje liet weten dat tijdens deze actie van niemand tegenstand zou worden geduld, zelfs niet van een Duitse patrouille. Die nacht werd een vrachtwagen in Duitse legerkleuren gestald aan de Haarenseweg in Esch. Hij werd neergezet vóór de boerderij van de familie van Kempen, schuin tegenover de woning van politiefunctionaris Verstappen. Er was voor gezorgd dat Verstappen die avond en nacht geen dienst had. De leden van de groep droegen Duitse uniformen."
"Op welke wijze Rooi Jantje dit kon organiseren is mij onduidelijk. Men is te voet van de Haarenseweg naar het gemeentehuis gegaan. De brandstof werd daar in vaten gegoten en op hun schouders hebben ze die naar de vrachtwagen gedragen. De hele actie is zonder problemen verlopen. Over de “uitleen” van de brandstof heb ik in Esch met niemand overleg gepleegd. Nadien heeft ook nooit controle plaatsgevonden, de resterende voorraad heb ik niet meer hoeven aanspreken. De dag ná “de brandstofoverval”, op 30 juni 1944, ging in de buurt het volgende verhaal. Tegenover café “De Twee Zwaantjes” stond in de bocht van de weg de slagerij van Marinus van Brunschot. Daarnaast had Jacobus (Coop) van Bragt zijn schoenenwinkel met daarboven zijn slaapkamer. Van Bragt was wakker geworden en had vanuit zijn slaapkamerraam gezien dat Duitse soldaten iets op hun schouders hadden vervoerd. Hij vertelde dat hij had gezien dat “Duitse” soldaten bij Marinus van Brunschot hammen en vlees hadden opgehaald! De waarheid kon ik natuurlijk niet vertellen.

Sergeant Air Gunner R.H. King, UC RCAF
Vanaf de lente van 1943 tot aan de capitulatie op 5 mei 1945 bombardeerde de geallieerde luchtmacht nagenoeg nacht na nacht en ook wel overdag Duitse industriegebieden en steden. De Engelse luchtmacht voerde de bombardementen in het algemeen ’s nachts uit. De Amerikanen waren dikwijls overdag te zien. Urenlang hoorde je dan het sonore geluid van de zware motoren van de bommenwerpers met daar tussendoor het geluid van de veel snellere jachtvliegtuigen. Het geheel was angstaanjagend. Wanneer de aanvallen plaatsvonden op een gebied vlak over de Nederlandse grens dan hoorde je het geluid van de vliegtuigen uit twee richtingen. Regelmatig werden door Duits luchtdoelgeschut en door Duitse nachtjagers geallieerde vliegtuigen geraakt en neergeschoten. Soms kon de bemanning zich redden door gebruik te maken van hun parachutes, maar nog al eens kwam een deel van de bemanning om. Esch en omgeving hadden midden juni 1943 met hevige luchtgevechten te maken. Er zijn toen in de omgeving van Esch ook vliegtuigen neergekomen. Eén daarvan is een paar keer met brandende motoren over Esch heen gevlogen en is op Hal, nabij het landgoed Eikenhorst neergestort (17-06-1943).
Giel hierover: "Na het neerstorten ben ik vóór het licht begon te worden op de fiets gesprongen en naar Baarschot gereden. Bij de spoorwegovergang ben ik te voet het veld ingelopen. Aan de overkant van de Essche Stroom zag ik een witte parachute met daaraan een dood lichaam, dat tot aan het middel in het water hing. In het weiland waarin ik liep, lag eveneens een lijk. Terwijl ik bij hem neerknielde om de gegevens van zijn identiteitsplaatje over te nemen, werd ik vanaf de overkant van de Essche Stroom in het Duits aangeroepen. Toen ik mij omdraaide zag ik in het schemer twee Duitse militairen en een burger. Ik moest met mijn handen omhoog, karabijn op mij gericht, richting het drietal komen. De persoon in burger herkende ik van de Luchtbeschermingsdienst. Hij vertelde de Duitsers wie ik was en ik mocht vertrekken. Duitse militairen aantreffen in die omgeving was niet vreemd, er was een permanent bezette hoge uitkijkpost. De lijken werden in de loop van de dag opgehaald. Vijf dagen later, ’s nachts (22-06-1943), stortte bij landgoed Den Eikenhorst opnieuw een vliegtuig neer. Diezelfde dag kwam mijn oom Graard van Brunschot naar het gemeentehuis om te vertellen dat in zijn bietenveld “De Spanker” langs de Essche Stroom het lijk van een militair lag. Ik ben er meteen heengegaan en heb de personalia overgenomen van zijn militair identificatieplaatje: Can R 109695 Airman R H King UC RCAF; op de achterzijde stond: “Do not remove”."
"De Airman was zonder parachute neergekomen, hetgeen ook bleek uit het feit dat zijn armen, benen en rug gebroken waren. Na melding bij een Duitse instantie werden direct twee Duitse militairen naar Esch gestuurd. Met een brancard van de EHBO ben ik samen met hen naar De Spanker gegaan. Nadat het lijk op de brancard uit het veld was gedragen, zei één van de militairen tegen mij en de bewoners uit de omgeving: “Kijk, dit is nu één van jullie bevrijders die alles en iedereen bombarderen.” Ik reageerde meteen (wit wegtrekkend): “Jij of ik kon hier dood liggen, nu ligt er een ander. Over een dode dien je alleen met eerbied te spreken.” De Duitser zei niets meer en had ongetwijfeld mijn reactie begrepen. De brancard met het lijk werd naar één van de vertrekken van het gemeentehuis gebracht. Men zou de dode de volgende dag ophalen. Diezelfde avond nog ben ik met een paar personen naar de dode Airman gegaan. Om een aandenken te bewaren van de Canadese militair heb ik het leren vest van hem uitgetrokken en meegenomen. In dit vest trof ik twee foto’s aan (waarschijnlijk de Airman en zijn broer) en een ontroerend gedicht over een broer."

Lees hier het eerbetoon van zoon Michel aan zijn ouders (opent in een nieuw tabblad)

