Een van de leukere bezigheden op de speelplaats van de school was het branden van gaatjes. Was er in de zomer een zonnige dag, dan brachten de jongens een “Brandglas” mee naar school. Dat brandglas was een soort vergrootglas, dat thuis van de zaklamp werd geschroefd. In Uden noemden we dat het 'Kniplichtje'.



Tijdens het speelkwartier brandden we met dat glas gaatjes, door de lens naar de zon te richten en te zorgen dat het snijpunt van de stralenbundel op brandbaar materiaal terechtkwam.
Dat materiaal was een stukje papier of als het mogelijk was een stukje hoorn. De temperatuur werd zo hoog dat het materiaal begon te roken, de damp die bij hoorn vrijkwam, had een aangename reuk. Hoorn, dat was een dunne, zwarte kunststof. Het was een soort celluloid die van het fietsframe werd gesloopt. Daar zat het als beschermlaag op het buizenwerk, het stuur, de jasbeschermers of de handgrepen.
Celluloid werd gebruikt bij de houten kast van accordeons die met een dun laagje ervan werden bekleed. Ook de poppen werden ervan gemaakt.
Soms ontstaan op deze manier bosbranden, wanneer een stukje glas in de buurt van brandbaar materiaal ligt. Het brandglas dat wij gebruikten, was aan de onderzijde vlak en aan de bovenzijde bol geslepen. Het zat opgesloten in een stalen mantel met schroefdraad.
De lens had een doorsnee van 5 centimeter, was 1,2 centimeter dik en had een focus van 50 millimeter. Het brandglas was niet bruikbaar als vergrootglas en een loep kenden we niet, net zo min als een verrekijker.
