Jan Meeussen uit Sint Oedenrode strijkt op nieuwjaarsdag neer in een herberg onder Den Dungen. Daar ontmoet hij een zekere Gielis Vrancken, die hem ten tijde van de krijgsverrichtingen van Maarten van Rossem, een hellebaard afhandig heeft gemaakt. Dat is Jan natuurlijk nog niet vergeten. Hij vraagt Gielis wanneer hij die hellebaard terug denkt te geven. Die roept hem toe: “Wildy u hellebaerde wederom hebben, ick salse u langhen”. Maar dan begint het.

Beide heren raken verwikkeld in een discussie en lijken nogal strijdlustig. Nu heeft Jan een stok bij zich ‘gemeynlicken genoempt eenen merghensterre’; een stok met dwars uitstekende ijzeren pinnen. Daarmee verdedigt hij zich en probeert Gielis van zich af te houden. Ze gaan de herberg uit en eenmaal buitenshuis laait de ruzie fel op.
Geraakt door ijzeren pinnen
Ze slaan elkaar over en weer en plotseling wordt Gielis geraakt door de ijzeren pinnen en de verwondingen zijn van dien aard, dat hij zeven dagen later overlijdt. De hoogschout van Den Bosch laat Jan arresteren. Uiteindelijk komt men tot het inzicht dat hier geen opzet in het spel is, maar een kwestie van puur verweer en dat het een ‘onnosel ongeval’ is geweest. Jan wordt vrijgesproken.
Deze bijdrage van Henk Beijers maakt onderdeel uit van een serie korte verhalen over 16de – en 17de – eeuwse Brabanders, ontleend aan de Remissieboeken uit de Rekenkamer Delen van het Algemeen Rijksarchief Brussel RANB - toegangsnummer 1107 inventarisnummers (645.9. 279 verso – juni 1559).


