Direct naar de inhoud

Let op! Dit is de beta website van BHIC. Reacties die je hier achterlaat, gaan verloren na officiële livegang.

Terug naar overzichtOverzicht

Handel in koloniale waren en 's-Hertogenbosch als doorvoerhaven

Joris Martens

19 september 2024

Bijgewerkt op 25 september 2024

In het Brabant van de zeventiende en achttiende eeuw waren tal van kleine handelaren in koloniale waren te vinden. Deze handelaren hadden vaak nauwe contacten met de textielnijverheid, bijvoorbeeld door het leveren van de kleurstof indigo of andere grondstoffen voor de productie van textiel. Deze koloniale handel biedt een inkijkje in hoe de plantageproducten vanuit zowel het Oost-Indië als het West-Indië in Brabant terechtkwamen.

Echter, veel van de bedrijfsarchieven zijn verloren gegaan, waardoor de handelsnetwerken slechts gedeeltelijk te ontwaren zijn. Voor dit onderzoek zijn, naast het archief van de Familie van Lanschot (opent in een nieuw tabblad), twee kleine archieven doorgenomen, van families waarvan bekend is dat zij betrokken waren bij de handel in koloniale waren: dat van de familie Coovels (opent in een nieuw tabblad), die zich van handelaar zou ontwikkelen tot textielfabrikant, en dat van W. Prinzen en G. Glabbeek (opent in een nieuw tabblad), handelaren in boter en koloniale waren. Aan de hand van een deze archieven zal worden aangetoond hoe plantageproducten doordrongen tot in de haarvaten van de maatschappij en zowel Brabantse steden als dorpen indirect verbonden met de slavernij. 

Groothandel: Van Lanschot

Van de familie van Lanschot is al eerder vastgesteld (opent in een nieuw tabblad) dat zij indirect betrokken waren bij de slavernij, de koloniale waar die zij verhandelden was ten minste deels geproduceerd met slavenarbeid. Om die reden is hier de nadruk gelegd op de positie van 's-Hertogenbosch als doorvoerhaven en de rol van de familie van Lanschot hierin. De familie van Lanschot handelde in een hele reeks producten waarvan de oorsprong buiten Europa lag. Naast de gebruikelijke koloniale waar, zoals koffie, suiker en thee, handelden zij ook in rijst, chocola, en allerlei soorten specerijen. De handel in koloniale waar viel uiteen in de 'groot' en 'klein' handel. De groothandel richtte zich op andere handelaren in de regio, terwijl de kleinhandel zich beperkte tot particuliere afnemers in de Meierij van ’s-Hertogenbosch. Waar de kleinhandel niet veel verder reikte dan de Meierij van ’s-Hertogenbosch, omvatte de groothandel van de firma Van Lanschot een groot gebied dat zich uit strekte over huidig Nederland, België en West-Duitsland.

Met activiteiten van de kooplieden als de familie van Lanschot werd ’s-Hertogenbosch een belangrijke schakel in de doorvoerhandel van koloniale waren. Omstreeks 1806 waren er in ’s-Hertogenbosch nog een klein aantal andere kooplieden en winkeliers die in koffie, thee en andere kruidenierswaren handelden, met een aanzienlijke omzet. Deze goederen kwamen via de havensteden in het Westen het land in en werden door beurtschippers over de rivieren naar ’s-Hertogenbosch vervoerd. In ’s-Hertogenbosch werden de goederen ofwel overgeslagen voor verder vervoer per kar of opgeslagen om op een gunstiger moment te verkopen. Omgekeerd werden de goederen uit de Meierij per kar aangevoerd waarna zij richting Holland werden verscheept om daarna naar het buitenland verstuurd te worden. Daarnaast nam ‘s-Hertogenbosch een belangrijke positie in, in de handelsroute van Holland naar Luik. De bovengenoemde koloniale producten werden naar Luik vervoerd en vanuit Luik werden kolen en ijzerwaren naar ’s-Hertogenbosch verzonden.

De goederen waar de familie van Lanschot in handelde werden voornamelijk ingekocht bij de Verenigde Oost-indische Compagnie (VOC), maar ook werden er sporadisch producten aangekocht bij de West-Indische Compagnie (WIC). In de achttiende eeuw is de Amsterdamse firma Le Grand de belangrijkste leverancier van de firma Van Lanschot, zij kochten koffie, thee en specerijen in bij de VOC. De bekende voorloper van de ABN-AMRO bank, Hope & Co gevestigd in Amsterdam, leverde ook regelmatig koffie. Met name koffie kwam uit de West-Indische gebieden, zo bood de firma van Lanschot in de achttiende eeuw verschillende soorten koffie aan die afkomstig waren uit Berbice, Curaçao, San Domingo, Essequibo, Java, Martinique en Suriname. Voor suiker en kandij deed de firma van Lanschot hoofdzakelijk zaken met Paulus den Besten uit Amsterdam en Van Hanswijk te Rotterdam. Aan het eind van de achttiende eeuw werden er ook goederen ingekocht bij buitenlandse handelshuizen gevestigd in Denemarken, Zweden en Italië.

De handelsactiviteiten van de familie Van Lanschot werden van generatie op generatie voortgezet. Aan het eind van de achttiende eeuw zijn er ook pogingen van de familie van Lanschot om nieuwe werkzaamheden te ontplooien. Zo wordt een suikerraffinaderij gelegen in de Grote en Kleine Engel aan de Markt in ’s-Hertogenbosch aangekocht en verbouwd. Ook sloot Godefridus van Lanschot een contract af met J.H. Koert te Rotterdam, waarin zij vastleggen dat Franciscus van Lanschot opgeleid wordt om ruwe suiker te bewerken en leiding te geven aan een suikerraffinaderij. Helaas zijn er van deze onderneming verder geen bronnen beschikbaar en is het onduidelijk of deze onderneming succesvol was en waar zij de ruwe suiker aankochten. Niet veel later, in 1799, overleed Godefridus van Lanschot en zette zijn zoon Franciscus de handelsactiviteiten voort en werd de suikerraffinaderij afgestoten.

Kleinhandel: Coovels en Prinzen

Ook op kleinere schaal werden koloniale goederen verhandeld, een voorbeeld van dergelijke handel was de onderneming van W. Prinzen ofwel Wilhelmus Prinzen. Hij vestigde zich rond 1798 in Helmond en begon samen met zijn stiefzoon, G. Glabbeek, een handel in boter en koloniale waar. Naast de handel in natuurboter, handelde Prinzen voornamelijk in koffie en indigo. Andere koloniale waren komen niet voor in het archief van W. Prinzen. Van koffie is bekend dat het zowel uit het oosten en het westen kwam en ingevoerd werd door de VOC en respectievelijk de WIC. De handel verliep grotendeels via ’s-Hertogenbosch, maar ook maakt Prinzen melding van koffie die via Tiel in de regio zou worden ingevoerd. De invoer van deze koffie via Tiel zou de prijs van Prinzen’s koffie drukken en moeilijk verkoopbaar maken.

Prinzen kocht zijn waren grotendeels met de in Amsterdam gevestigde firma Kraanstuyver & Zoon. Deze firma was ook betrokken bij het laten uitreden van schepen richting de Nederlandse koloniën. De handel in koffie en indigo besloeg de omliggende dorpen van Helmond zoals bijvoorbeeld Geldrop. Maar reikte ook zover als Luik, Aken en Maastricht. Dit blijkt uit het contact dat Prinzen had met de in Luik gevestigde A. Receveur, in het briefcontact klaagt Prinzen over de moeilijkheden van de doorvoerhandel in koffie en indigo. De handel wordt bemoeilijkt door de ongeregeldheden die Brabant als grensregio doormaakt in de Franse Tijd (1795-1813). Zo stelt Prinzen dat hij enerzijds last heeft van de linies en het hem onmogelijk maken om steden als Luik, Aken en Maastricht te bezoeken. Ook de douane belemmert de handel, hoewel veel goederen de grenzen vrij mogen passeren, geldt dat niet voor koloniale goederen. Anderzijds lijkt het erop dat de vennoten last hebben van illegale waar die de regio binnenstroomt en de prijs drukt.

Ook de familie Coovels gevestigd in Helmond handelde in koloniale waar, zo zijn er bronnen die de levering van koffie, thee, suiker en tabak melden. Deze goederen werden ingekocht bij G. Otten gevestigd in Amsterdam. Uit de correspondentie valt onder andere op te maken dat koffie uit West-Indië, specifiek de koffie uit Suriname en San Domingo, wordt aangeprezen. De koffie en andere plantageproducten werden ingevoerd via ’s-Hertogenbosch. Saillant detail is dat de levering van goederen via de al eerder genoemde A. van de Ven verliep, die ook voor de gebroeders Bots en de familie Smits - van Oijen goederen vervoerde en mogelijk ook opsloeg. Uit de brieven van de familie Coovels valt dus op te maken dat A. van de Ven zorgde voor scheepsvrachten en expeditie van goederen. Voor de goederen afkomstig uit de haven van Antwerpen wordt een andere contact persoon genoemd, ene J.B. de Vocht gevestigd in Arendonk. Hierbij moet worden opgemerkt dat het niet duidelijk wordt uit de bronnen of het hier om koloniale waar gaat. Toch lijkt het aannemelijk dat ook via deze route koloniale goederen worden aangevoerd.

Bronnen

Meer weten over het onderzoek van Joris Martens naar het slavernijverleden van Brabant en sporen daarvan in de archieven? Klik hier

Reacties

Reacties laden…

Feedback geven

Wat vind je van deze pagina? We horen graag wat beter kan.

0 van 300 tekens gebruikt

Deel geen gevoelige gegevens, zoals je BSN, adres, telefoonnummer of medische informatie.

Handel in koloniale waren en 's-Hertogenbosch als doorvoerhaven | BHIC