In het handschrift van de schout Pieter Nuyts (1640-1709) ‘Beschrijving van de Vrije Heerlijkheid Etten, Leur en Sprundel’ staat dat er in Etten ooit een begijnhofje heeft gestaan.
Waar stond het hofje?
Het stond achter de voormalige Nederlands-Hervormde kerk, nu de Van Goghkerk, op het kerkhof, ongeveer op de plaats waar in 1649 de hervormden hun pastorie bouwden. Door de sloop van het hofje was er toen Nuyts dit schreef echter niets meer van terug te vinden. Wel had hij van een krasse zeventiger, een zekere De Bruin, gehoord dat deze in zijn jeugd als hij naar de kerk en de school ging, op deze plaats nog een gewelfde boog van een poort had zien staan.

Verkoop van het hofje
Volgens Nuyts werd in de boeken 1582, 1587 en 1588 nog gewag gemaakt van het begijnhof. Ook zou in het gedenkboek van 1601 staan dat op de 9de april mr. Marten Uijtenhove, als gemachtigde en lasthebber van de meesteressen van het begijnhof in Breda, het erf waar de huisjes van het begijnhof gestaan hebben, verkocht aan Kornelis Jan Nuijten. Tot slot schrijft Nuyts ‘de weduwe van diens zoon Willebrord Arnouts heeft het nog in haar bezit’.
Nuyts schreef ook: ‘Dat dit begijnhof ergens min of meer afhankelijk moet zijn geweest of wel [misschien] dat van Breda daarover enige zeggenschap heeft gehad, doet na het hier boven verhaalde niet onwaarschijnlijk aan’.
Klopt dit wel wat Nuyts schrijft over het begijnhofje in Etten? In de vestboeken in het stadsarchief van Breda vinden we dat in begin 1600 in Etten inderdaad een mr. Marten Uijtenhove woonachtig was. Verder in de DTB’s (Doop-, trouw- en begraafboeken) van het West-Brabants Archief, dat er ten tijde van Nuyts ene Willebrordus Arnouts en zijn gezin in Etten woonde.

De relatie met het begijnhof in Breda
In het zogeheten cartularium* van het begijnhof te Breda bevinden zich twee akten die aantonen dat er een relatie was tussen het begijnhof te Breda en het begijnhofje in Etten zoals Nuyts schrijft.
Op 9 april 1601 compareerde voor de schepenbank van Etten mr. Merten van Uythoven als gemachtigde en procuratie hebbende van de groot meesteressen van het begijnhof te Breda. Namens de meesteressen van het begijnhof te Breda verkocht hij aan Jan Noyten 'de plaetse, daer dry huyskens plaegen te staen metten erve daertoe zijnde gelegen achter de kercke tot Etten genaempt het bagijnhoff, eertijds gecomen van Cornelis Cheeuwen’. Daarna volgt een nauwkeurige beschrijving van de belendende percelen.
In hetzelfde cartularium bevindt zich een akte gedateerd 21 februari 1563 waarin staat dat een huisje achter de kerk in Etten eigendom was van Cornelis Cheeuwen/Zeeuwen, priester. Het werd bewoond door Jehenne Cheeuwen/Zeeuwen zijn natuurlijke dochter.
Samenvatting
Zowel uit het handschrift van Nuyts als uit de gegevens uit het archief van het begijnhof Breda blijkt dat er achter de NH-kerk op de Markt in Etten een begijnhofje heeft gestaan. Het stond op het kerkhof ongeveer op de plaats waar in 1649 de hervormden hun pastorie bouwden. Nu waar het Van Goghbeeldje staat. Het stond er in ieder geval al in 1563 en is mogelijk voor de verkoop in 1601 van de plaats waar de drie huisjes stonden afgebroken.
* = Een cartularium is een verzameling oude kopie-akten/-oorkonden in boekvorm.
