In de nalatenschap van mijn oma Rosalia Marcelis (°1877 – †1957), die zich pas na het overlijden van mijn vader ruim twintig jaar geleden openbaarde, bevond zich een merkwaardig prentje van 9 x 12 cm: een ingekleurde gravure van Sint Ludovicus op perkament.

Waar kwam dit twee eeuwen oude prentje vandaan? En hoe kwam het bij mijn oma terecht? Wie was deze Wilhelmina? Is er een familieband met haar te ontdekken? Of een relatie met Ossenisse of een andere plek in Oost-Zeeuws-Vlaanderen?
De speurtocht naar de persoon[1]
Lange tijd bleef het antwoord op deze vragen een raadsel en besteedde ik er weinig aandacht meer aan. In databases op Internet had ik meerdere malen gezocht, maar omdat de achternaam aanvankelijk werd gelezen als ‘van Freijen’ bleef resultaat uit. Totdat een tijdje terug het prentje weer tevoorschijn kwam in mijn spullen en als een soort ‘cold case’ opnieuw aan een zoektocht werd onderworpen.
Daarbij kwam ik een akte tegen waarmee, naar aanleiding van een vonnis op grond van een verzoek van een zekere Thomas de Wit, een wijziging van een overlijdensakte van zijn overleden echtgenote werd ingeschreven. Die wijziging betrof de toevoeging van de tweede voornaam ‘Catharina’ van de op 19 juni 1843 overleden Wilhelmina van Frijen. Een mogelijk aanknopingspunt, ook al ontbrak de eerste ‘e’ in de familienaam. Maar doorzoekend op die naam was de oorspronkelijke overlijdensakte van deze Wilhelmina niet te vinden.
Vervolgens werd gezocht op de naam van de moeder van Wilhelmina, ene ‘Maria Servaas’, die ook in deze akte was opgenomen. En ja hoor, daar kwam de oorspronkelijke overlijdensakte tevoorschijn… maar met de naam Wilhelmina van Trijen. Jarenlang had ik de naam verkeerd gelezen en dat was klaarblijkelijk ook de persoon overkomen die de gegevens van de akte van wijziging had ingevoerd in de database van het West Brabants Archief (WBA). Toen viel alles snel op zijn plek, want er kon gezocht worden op de naam ‘Wilhelmina Catharina van Trijen’ of ‘Treijen’. Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid – er is uitvoerig gezocht naar mogelijke alternatieven – is de conclusie dat het communieprentje op 26 maart 1820 moet zijn uitgereikt aan Wilhelmina Catharina van Trijen (op het communieprentje en in enkele akten ‘Treijen’), gedoopt op 14 september 1809 in Nieuw-Vossemeer.

Ze moet dus tien jaar en zes maanden oud zijn geweest toen ze haar eerste heilige communie deed, wat tot de twintigste eeuw de gebruikelijke leeftijd, aan de jonge kant zelfs, was voor dit katholieke ritueel.
Wie was deze Wilhelmina Catharina van Trijen?
Wilhelmina Catharina van Trijen werd geboren in een redelijk bemiddeld nest, zo lijkt het. Haar doopakte hierboven vermeldt dat Antonius (Antonie) van Trijen de vader en Maria Servaas de moeder waren. Getuigen waren Christiaan Servaas, de vader van moeder Maria en Wilhelmina Hoots, de moeder van vader Antonie.
Vader Antonie van Trijen werd op 18 december 1777 gedoopt in Halsteren onder de naam ‘Antonius van ter Hijen’ als zoon van Cornelis van ter Hijen en de eerder genoemde Wilhelmina Hoots. Cornelis wordt in zijn huwelijksakte met Wilhelmina Hoots overigens benoemd als ‘Cornelis van ter Heijden’. Het illustreert dat er indertijd voor dezelfde personen en over meerdere generaties heen meerdere varianten van dezelfde naam voorkwamen. Het leert ons ook de oorsprong van de nu in de burgerlijke stand[2] ‘gestolde’ naam ‘van Trijen’.
De doopakte van Antonie vermeldt bovendien dat hij is geboren in de Westlandpolder, ten zuidwesten van Steenbergen. In diezelfde polder is ook zijn moeder Wilhelmina Hoots geboren. Antonie trouwde op 2 juli 1809 met Maria Servaas. Zij was afkomstig uit Steenbergen – aldaar gedoopt op 24 maart 1780 – als de dochter van Christiaan Servaas en Joanna Vergroesen, beiden in de jaren vijftig van de 18de eeuw geboren in Steenbergen[3]. Het huwelijk tussen Antonie en Maria werd voltrokken in Nieuw-Vossemeer (toen ‘Vosmaer’ of ‘Vosmaar’), waar ze zich zouden vestigen én zich stevig mee zouden verbinden.
In dat kader is het niet onbelangrijk om te vermelden dat Nieuw-Vossemeer en de polders eromheen grondgebied van de provincie Zeeland waren (zie bijgevoegde kaart). Twee maanden voor hun huwelijk werd Nieuw-Vossemeer echter bezocht door koning Lodewijk Napoleon, die besloot om de bestuurlijke verbinding van het dorp met de Ambachtsheerlijkheid Oud Vossemeer en de provincie Zeeland te verbreken. Dat was in de Frans-Bataafse tijd, maar het besluit werd na de val van Napoleon niet ongedaan gemaakt. Nieuw-Vossemeer werd een zelfstandige gemeente in de nieuwe, in 1813 gevormde, provincie Noord-Brabant, wat in 1814 bij Koninklijk Besluit werd bekrachtigd.[4]
Wilhelmina Catharina was de oudst geborene van het jonge stel; ze kwam ruim twee maanden na de huwelijksvoltrekking ter wereld. Toen ze net drie jaar oud was geworden, op 19 september 1812, kwam haar broertje Cornelis van Trijen ter wereld, dat in 1820 op achtjarige leeftijd alweer overleed. Daar bleef het bij, zodat Wilhelmina Catharina goeddeels enigst kind is geweest. Op de (Franstalige) geboorteakte van broertje Cornelis staat vermeld dat Antonie indertijd ‘Adjoint Maire’, zeg maar ‘locoburgemeester’, van Nieuw-Vossemeer was. Diezelfde akte was van gemeentewege ondertekend door de in 1811 burgemeester geworden ‘S.A. Catshoek’ (Samuel Abraham; °1765 - †1830).
Hij was een zoon van Adriaan Catshoek, die eind 18de eeuw rentmeester was van de ‘Ambachtsheerlijkheid Oud En Nieuw Vossemeer En Vrijberghe’ en daarmee telg uit een voornaam Thools regentengeslacht.[5] Zo bleef er klaarblijkelijk toch nog een aantal jaren ‘een lijntje’ met de oorspronkelijke ambachtsheerlijkheid. In 1825, gelijktijdig met de invoering van het nieuwe reglement voor plattelandsgemeenten,[6] werd Antonie zijn opvolger en daarmee volwaardig burgemeester, wat hij tot 1852 zou blijven. We mogen dus aannemen dat hij altijd tot de ‘notabelen’ van het dorp zal hebben behoord.
Dochter Wilhelmina trouwde op 12 juni 1835 met Thomas de Wit. Thomas was vrijwel zeker geen onbekende voor zijn schoonouders, want hij werd rond 10 februari 1809 (zijn doopdatum) geboren in het buurtschap De Kladde, eveneens in de Westlandpolder waar ook Wilhelmina’s vader en oma hadden gewoond. Zijn ouders waren Adriaan de Wit (°1776 - †1853) en Petronilla van Gaans (°1785 - †1810), beiden van Steenbergse komaf. Thomas en Wilhelmina woonden nabij Steenbergen, vermoedelijk in Lepelstraat, in elk geval in die gemeente. Daar is immers aangifte gedaan van alle vijf hun kinderen.
De oudste van de vijf – Adrianus Antonius – werd priester en vanaf 1871 pastoor in Putte; zijn naam is daar vereeuwigd in de Pastoor de Witstraat. De erop volgende twee zonen en een dochter trouwden en we hebben kunnen traceren dat daarvan tot op de dag van vandaag nakomelingen rondlopen, waarvan we er verderop nog enkele in de schijnwerper zullen zetten. Bij hun vijfde kind ging het mis. Vijf dagen na de geboorte van Thomas Jacobus Antonij de Wit op 14 juni 1843 overleed Wilhelmina op 33-jarige leeftijd in het kraambed. Over deze Thomas zelf verderop meer.
De aard en herkomst van het communieprentje
Toen aan Wilhelmina op 26 maart 1820 het prentje werd uitgereikt, moet de (koper)gravure waarop het gebaseerd is al ongeveer honderd jaar oud zijn geweest. De hoek rechtsonder bevat namelijk de handtekening van de uitgever en dat is onmiskenbaar – uitsluitend leesbaar op scan met hoge resolutie - die van Mich(i)el Bunel.

Dat kunnen we met zoveel zekerheid vaststellen omdat er meerdere, en soortgelijke, prenten van hem bekend en in museumcollecties te vinden zijn, zoals het prentje van Sint Veronica in de collectie van het Catharijneconvent in Utrecht, gedateerd 1715 - 1735.[7] En net als het prentje van Wilhelmina is het (ditmaal in 1818) uitgereikt ter gelegenheid van een eerste communie, die van ene Joanna van der Linden in Maarssen (op het prentje met één s geschreven). Anders dan het prentje van Wilhelmina is het volgens de omschrijving gedrukt op papier, hetgeen zelfs op beeldscherm goed te zien is aan het verschil in textuur en doorzichtigheid. De perkamenten prentjes waren overigens veel duurder.
Michiel Bunel (°1670 – †1739) was in de eerste helft van de 18de eeuw een van de bekendere uitgevers van gravures in Antwerpen, dat in de 17de en 18de eeuw het centrum werd van een levendige handel in zogeheten ‘devotieprentjes’, ‘beeldekens’ of ‘sanctjes’.[8] Van oorsprong was hij perkamentmaker, maar gelet op het belang (aandeel in kostprijs) van perkament in de uitgave van devotieprenten, lieten perkamentmakers zich vanaf het einde van de 16de eeuw vaak in met de uitgeverij. Aldus werd hij in 1698 als handelaar bij het Sint Lucasgilde ingeschreven. Hij slaagde erin om vele kopergravures van vooraanstaande graveurs te verwerven.
Vast niet toevallig trouwde zijn dochter Anna Maria Bunel (°1701-†1766) met de uit Normandië afkomstige Charles I Neel. Normandië, in het bijzonder de stad Coutances, stond indertijd bekend als centrum voor lederverwerking voor de productie van perkament. Anna Maria werd al rond de tijd van dit huwelijk in 1728 zelf ingeschreven bij het gilde als ‘meesterdogter in beeldekens verkoopen’. Anna Maria zette de zaak van haar vader na diens overlijden voort. Na haar eigen overlijden in 1766 werd de zaak vervolgens voortgezet door haar zoon Charles II Neel (°1734-†1804).
In de loop van de 17de en 18de eeuw veranderde er echter nogal wat. Kort samengevat: aanvankelijk was de productie van de prenten vooral voor lokale markten en stonden kunstzinnigheid en geloofsbeleving voorop. Naarmate de tijd vorderde en de bekendheid van Antwerpen als centrum voor deze prenten zich verder uitbreidde over heel Europa verplaatste de aandacht zich steeds meer naar massaproductie, economisch belang en concurrentie met andere steden.
Door deze ontwikkeling werd Antwerpen steeds meer een centrum voor goedkope massaproducten. Oude, soms versleten, koperplaten werden gebruikt voor herdrukken en het inkleuren van de prenten werd steeds meer ‘arbeiderswerk’ in plaats van ‘artisanaal vakwerk’. Waren de uitgevers bekend en welvarend, degenen die het echte werk deden stonden in hun schaduw en werkten voor karige beloning. Vermoedelijk zijn de communieprentjes zoals dat van Wilhelmina van Trijen en Joanna van der Linden zo rond het einde van de 18de eeuw vervaardigd op basis van oude kopergravures, in ons geval waarschijnlijk door Charles II Neel, die de collectie platen van zijn moeder en eerder zijn grootvader in bezit had.
Zeeuws-Vlaamse connecties

Leuk dat we dit nu allemaal te weten zijn gekomen over dit devotieprentje en de oorspronkelijke bezitster. Maar hoe is dit prentje terechtgekomen bij een gezin op Ossenisse? Familiebanden zijn er in geen velden of wegen te vinden. We hebben nog wel enkele feiten die aanknopingspunten bevatten voor speculaties (met de nadruk op dit woord) over hoe het gegaan zou kunnen zijn.
Ten eerste, Wilhelmina stierf in het kraambed van haar jongste zoon Thomas Jacobus Antonij de Wit; hij heeft zijn moeder nooit gekend. Hij werd priester en als zodanig in Hoeven gewijd op 15 juni 1867 (een dag na zijn 24ste verjaardag). In de jaren waarin hij op het seminarie moet hebben gezeten was grensplaats Nieuw-Namen een zelfstandig kerkdorp geworden en de Sint-Jozefkerk gebouwd.[9] Volgens zijn bidprentje werd Thomas daarvan op 1 oktober 1868 de eerste kapelaan. Het was zijn eerste en zijn laatste standplaats, want lang heeft de Nieuw-Naamse gemeenschap niet van hem kunnen genieten. Een jaar later, op 27 oktober 1869, was zijn leven op 26‑jarige leeftijd voorbij; zijn bidprentje daarvan een blijvende getuigenis.[10] Tot dusver de feiten en nu een eerste speculatie. Thomas had zijn moeder nooit gekend. Het is niet ondenkbaar dat hij het prentje in zijn bezit had als stoffelijk aandenken aan zijn moeder. Het zou na zijn overlijden in het circuit van religieuzen in Oost-Zeeuws-Vlaanderen kunnen zijn gaan circuleren en na meer of minder omzwervingen op Ossenisse zijn beland.

Er is minstens nog een tweede verbinding tussen de familie de Wit- van Trijen en Oost-Zeeuws-Vlaanderen. Bij het graven naar nakomelingen van Thomas en Wilhelmina Catharina bleek dat ooit twee geliefde inwoners van Terhole achterkleinzoon respectievelijk achterkleindochter van hen waren, namelijk pastoor Antonius Schoutens (foto uit 1936) en zijn zuster Wilhelmina (Mien) Schoutens (zie schema).

Antonius was al bekend met Oost-Zeeuws-Vlaanderen toen hij eind 1936 als Pastoor in Terhole werd benoemd, want in 1916 had hij enkele jaren als kapelaan op Groenendijk gestaan. In de negen jaar voorafgaand aan zijn komst naar Terhole was hij kapelaan in Roosendaal en blijkens een bericht in het Dagblad van Noord Brabant[11] stond hij daar bekend als ‘een rustige en sympathieke priester die bijna ongemerkt veel en belangrijk werk deed’. Ook op Terhole en in het Zeeuwse katholieke verenigingsleven was hij actief, onder meer als geestelijk adviseur. In de pastorie op Terhole woonde hij samen met zijn zuster ‘juffrouw Mien’ en huishoudster Jaantje van den Dam. Blijkens haar bidprentje was de gezondheid van Mien nogal problematisch.

Een eeuwig raadsel
Hoe het communieprentje in de nalatenschap van mijn oma terechtgekomen is, zal wel altijd een raadsel blijven. Maar op grond van het bovenstaande mogen we wel vermoeden dat de Zeeuw-Vlaamse belangstelling minder te maken had met de nagedachtenis aan Wilhelmina van Trijen en eerder met de esthetische aantrekkelijkheid van de voorkant en de daarop afgebeelde heilige: Sint Ludovicus. En daar ligt nog een laatste associatie. In de verzameling bidprentjes van mijn oma bevond zich ook dat van… ‘Ludovicus’, Lodewijk Stoel, die in de zomer van 1919 als bijna twee jaar oude dreumes verdronk in een ondergelopen kelder op het erf.
Mijn opa en oma moeten goed zijn geweest met de familie Stoel; Apolonia Stoel – een zuster van de vader van Lodewijk – was in 1917 ‘mit’ (meter; doopgetuige) bij de doop van hun (overigens slechts enkele maanden levende) dochtertje Maria, weten we uit hun katholieke trouwboekje. Was het dan toch Antonius Schoutens die het drama met ‘Ludovicus’ in zijn Groenendijkse tijd (1916 – 1919) over het nabijgelegen Ossenisse heeft meegekregen én de voorgaande bezitter was van dat mysterieuze communieprentje?
Bijlage: Kaart van de Ambachtsheerlijkheid van Oud en Nieuw Vosmaar en Vrijberghe[12]

Noten
[1] Deze tekst verscheen eveneens in Zeeuwse Familiepraet, Jaargang 39, no. 2 december 2024, 10-17.
[2] In West Brabant pas in 1811 ingevoerd; in Zeeuws-Vlaanderen al in 1796.
[3] Bron Kuijpersgenealogie, geraadpleegd 1-11-2023
[4] Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Nieuw-Vossemeer
[5] Zie voor de genealogie van deze familie: A. Romeijn (2012) De stadsregering van Tholen (1577-1795). Bijlage 3 Persoonsgegevens van Thoolse regentenfamilies.
[6] In 1824 (steden) en 1825 (plattelandsgemeenten) kwamen er voor het jonge Koninkrijk nieuwe regelingen voor de organisatie van het gemeentebestuur. Vanaf die tijd werd elke plattelandsgemeente bestuurd door een door de Koning benoemde burgemeester, twee assessoren (wethouders) en een gemeenteraad. Antonie van Trijen was dus de eerste burgemeester onder deze nieuwe regeling.
[7] https://adlib.catharijneconvent.nl/Details/collect/44698
[8] Deze en onderstaande tekst is gebaseerd op: Alfons K.L. Thijs (1993) Antwerpen. Internationaal Uitgeverscentrum van devotieprenten 17de – 18de eeuw. Peeters, Leuven.
[9] Voor deze ontstaansgeschiedenis zie: J.A. de Baar (2012) Van De Kauter naar Nieuw-Namen. Een dorps- en parochiegeschiedenis.
[10] Op zijn bidprentje zijn de eerste twee voornamen abusievelijk omgewisseld ten opzichte van de volgorde in zijn geboorteakte.
[11] Dagblad van Noord Brabant, 23-12-1936. Zowel zijn levensbeschrijving tot 1936 als de foto zijn aan dit artikel ontleend. De informatie over de Terholense tijd is ontleend aan de bidprentjes en enkele artikelen in Dagblad de Stem.
[12] Bron: Nieuwe kaart van het eiland van Tholen, Nieuw-Vosmaar en Philipsland, opgenomen door W. T. Hattinga, med. doctor, in den jare 1744, Te downloaden via Archieven.nl.
