Pastoor Beerenbroek uit Drunen heeft over jaren 1793 tot en met 1799 uitvoerig de ellende in die jaren in Drunen en omgeving beschreven. Maar ook doet hij uitvoerig verslag van de oorlogshandelingen in die periode. Een plaatselijke geschiedenis die we niet in onze geschiedenisboeken terugvinden, en daarom een belangrijke bron om de geschiedenis van onze streek beter te leren kennen. Deel 8 van zijn verhaal.


Lichaam des Bataafschen Volks op het verzoek om
schadevergoeding van Johan Kuffeler, 15 feb. 1799 (via Delpher (opent in een nieuw tabblad))
Het kasteel van Drunen, dat bewoond was door de heer Kuffeler, die naar Holland vertrokken was, werd in september geplunderd, daarna door de Fransen bezet, die er zo vreselijk huishielden, dat er viermaal brand ontstond in een week tijd, totdat uiteindelijk 's avonds geheel het kasteel tot de grond toe afbrandde met al wat erin was. In het voorjaar van 1795 brandt het tot hospitaal ingerichte kasteel tot de grond toe af en is “geheel gedestrueerd” (verwoest). In het neerhuis (het huidige kasteel) is alles wat maar op hout leek geheel afgebroken en vernielt, de meubels zijn verbrand, stukgeslagen of meegenomen. Jammer vooral voor de prachtige bibliotheek van de heer Kuffeler, waarvan ik nog, uit de plundering geredde boeken met nog enige, doch al beschadigde meubelen, vóór de brand in mijn huis geborgen had.[1]
Op dezelfde dag dat onze Fransen vertrokken, kwam hier aan het artilleriepark van General Osten met circa 500 paarden; gelukkig zijn de paarden vertrokken naar Gorcum, zodat wij niet meer hebben dan circa 200 paarden en 25 kanonniers, die wij tot in de zomer zullen houden, omdat zij met de artillerie niet verder kunnen vanwege het water dat ons omringt. Op 23 februari heb ik voor een dag generaal Corozade ingekwartierd, die naar Den Bosch gaat om daar commandant te zijn in plaats van Sauviacq die ziek is. Op hem is voor één dag gevolgd commissaris Verdun, daarna is commandant Aubert van de artillerie gekomen, die hier met geweld zijn intrek wilde nemen. Ik zei hem dat ik niemand aannam die geen briefje van het gemeentebestuur kon tonen, in de veronderstelling dat ze daar wel wisten welk nadeel ik in de plunderingen met het commissariaat gedurende zes weken gehad had, en daarbij nog de ellende van mijn arme mensen en een jaarlijks verlies van circa drie honderd gulden vanwege de abdij, die onvermogend was; terwijl mijn gemeente zoveel had geleden, dat ik met tegenzin zelfs de geringste geschenken aannam. Hierbij kwam nog, dat ik in de vastentijd geen vlees mocht eten en vis was er niet te koop: maar niettegenstaande dit alles ontving de nieuwe commissaris een inkwartieringsbiljet van een zeker lid van het gemeentebestuur, die ik in goed Nederlands ging bedanken, temeer dat deze zelf wel zo voorzichtig was om inkwartiering van zich af te schuiven. Ik toonde hem aan wat het gevolg zou zijn als het gemeentebestuur zo laf was om haar gezag af te staan en aan de militairen zelf over te laten waar zij hun intrek nemen wilden. En waarlijk, enige dagen later had de magistraat zelf niets meer te regelen, daar de militairen zich het gezag opeisten om voor zichzelf en de hunnen te plaatsen waar zij wilden. Op 15 februari kwam dus de commandant, die een allerbest man was, bij mij zijn intrek nemen met zijn knecht, die als zeer slecht bekend stond, en die, toen hij 's avonds dronken thuiskwam, op mijn verzoek bij een boer werd ingekwartierd.

Rijksmuseum nr. KOG-ZG-1-28-108 (opent in een nieuw tabblad))
Door de ongemene strenge vorst en de overstromingen, vreesde men bij het ontdooien de doorbraken van de dijken. Vanaf Gelderland tot aan Geertruidenberg was het een zee, van het oosten naar het westen. Evenzo van Drunen naar Gorcum, zodat men met de zwaarste artillerie over het ijs van Rijn en Maas en Waal al die landen kon passeren. Eindelijk brak het ijs door en het ijs dreef met een bitterkoude oosterstorm, die enige dagen in alle hevigheid aanhield, zodat geen dijk daartegen bestand was. Ik nam met enige meubelen en turf en hout de vlucht naar boven.
Op zondag 15 februari werd hier de vrijheidsboom geplant, toen de alarmklok het gevaar van doorbraak in de stoep van de dijk ten zuiden van de eendenkooi aankondigde. Men bracht mest en hout enz. in de dreigende opening en stortte een kar met mest geladen in de opening in de dijk die daar geheel in onderging.
Zo gebeurde het op alle plaatsen waar alarm geslagen werd; maar op dinsdag de 17e werd de storm zo hevig, het water zo hoog en de ijsbergen waren zo talrijk, dat er onvermijdelijk hier of elders een doorbraak moest komen. Tegen de avond ging ik naar de eendenkooi waar het gevaar dreigde. Ik had nauwelijks de dijk betreden, of de golven sloegen mij tot aan het middel en een ogenblik daarna waren mijn kleren bevroren. De mensen brachten vlechtwerk, mest allerlei voorwerpen; de golven sloegen het er weer uit, sloegen voeten hoog de dijk op, en wierpen zelfs de arbeiders de dijk af.
Noot
[1] Johan Kuffeler woont in de jaren 1787-1795 in het kasteel van Drunen. Kuffeler huurt het kasteel, evenals de eendenkooi van Drunen van de Heer van Drunen. Kuffeler meldt dat hij door het slechte gedrag van de soldaten het kasteel heeft moeten verlaten om elders onderdak te zoeken. Hij was niet in staat om al zijn zaken voor zijn vertrek goed te regelen en zijn goederen op te bergen. Bijna al zijn goederen zijn daardoor geroofd of tegelijk met het kasteel verbrand. Hij vraagt daarom in 1798 aan het bewind van de Bataafse Republiek om een schadevergoeding. Volgens een opgemaakt schaderapport hebben de Franse bezetters het kasteel in het najaar 1794 in gebruik genomen als militair hospitaal. In de winter van 1794/1795 stoken de Franse soldaten, vanwege de strenge winter al het aanwezige houtwerk in het neerhuis (poortgebouw) op, maar ook ruim 1.700 bomen en het verdere houtgewas van het landgoed worden omgehakt, dus zowat alles wat brandbaar is, het hele bos is verwoest.
