Pastoor Beerenbroek uit Drunen heeft over jaren 1793 tot en met 1799 uitvoerig de ellende in die jaren in Drunen en omgeving beschreven. Maar ook doet hij uitvoerig verslag van de oorlogshandelingen in die periode. Een plaatselijke geschiedenis die we niet in onze geschiedenisboeken terugvinden, en daarom een belangrijke bron om de geschiedenis van onze streek beter te leren kennen. Deel 9 van zijn verhaal.

Het gevaar werd gestadig groter en het volk kon de kou niet meer lijden. De dijken werden ’s woensdags zo gehavend, dat zij ten oosten van de eendenkooi op veel plaatsen bijna doorgebroken waren en het water daar een verval had van 16 voet, en alleen door de ijsdammen die tegen de dijk aanzaten tegengehouden werd.
Hetzelfde gevaar en alarm was er te Vlijmen, Haarsteeg, Nieuwkuijk, Baardwijk tot aan Geertruidenberg. Het hoger gelegen Giersbergen moest zelf dammen opwerpen om de huizen te vrijwaren.
Uiteindelijk op 18 februari, Aswoensdag, om vijf uur 's avonds zag ik een straaltje water op het ijs van mijn dam, een vingerbreed, waaruit ik vaststelde dat er ergens een doorbraak moest zijn. Om tien uur werd alarm geslagen; de klok luidde; het water huilde; mijn kommandant vluchtte met zijn bed naar de opkamer; de stroom was zo sterk dat het houtwerk van de achterkeuken door de binnenkeuken, gang en sacristie naar de kerk dreef. Stoelen, banken en treden van het altaar dreven in het water, en overal had ik het water 20 duim hoog. Spoedig bevroor het, zodat men geen buitendeuren kon openen. Ons geluk was dat er drie doorbraken plaats hadden tussen Vlijmen en het Vergereind, anders hadden wij het water nog veel voeten hoger gehad, omdat onze dijken niet langer bestand waren. Daaraan is het ook toe te schrijven dat er geen mensen maar alleen acht beesten van Drunen verdronken zijn.
Daags daarna brak ook onze Zeedijk op twee plaatsen door, maar omdat ons dorp reeds onder water stond gaf dit ons weinig nadeel.
De nieuwe dijk die men vanwege de oorlog ten Zuiden van de Linie had gelegd, was bijtijds doorgestoken. Twee paarden met een wagen zijn daar verdronken. Ellendig was het gekerm van mensen en beesten. Daar men geen meel kon krijgen omdat er wegens het ijs geen schepen konden varen, was er op de derde dag broodgebrek. Zeventig personen woonden op en aan de windmolen, anderen op het kerkhof, op het raadhuis en zolders enz.

Sommige klommen door de daken naar buiten. Aan de Wiel en de Zeedijk was de grootste ellende; het water stond daar 5 à 6 voet hoog, en de woning van de Drost stond onder water tot boven het deurkozijn. De vissen zwommen door de straten. Het huis van de secretaris was droog; 5 of 6 anderen hadden het water alleen in het achterhuis. Overal elders was het een zee. In de Wolfshoek en de Scheet stond het water tot aan de daken. Daar waren de inwoners allemaal gevlucht. De 4e dag klom ik met planken, ladders enz. over het wrakke ijs door mijn hof en zomerhuisje op de bevroren straat; ik liet het ijs breken en voer toen met een bak over mijn dam. De 9e dag begon men al met klompen over mijn dam te lopen. Onbegrijpelijk, hoe de mensen op de zolders de kou hebben uitgestaan, en dat er geen brand is geweest, door het vuur dat zij in ketels onder het strooien dak stookten.
Tevoren, met de inundatie van Heusden had hier de Wiel ondergestaan tot aan het huis van de predikant, en mijn achterhof tot aan de kerk, en toen het water van de grote overstroming weg was, liep het lage gedeelte van onze straat door de oude gespoelde gaten weer onder, zodat de boeren genoodzaakt waren het vee op hoge plaatsen te drijven en in keukens, kamers en opkamers te stallen, totdat eindelijk alles weer droogliep. Dit alles verhinderde de boeren om de akkers te bebouwen en dat berokkende veel nadeel aan het gezaaide koren, deed de knollen, wortels en al wat er nog op stond rotten.
Maar in andere plaatsen was de ramp nog groter. De binnendijkse huizen van Vlijmen naar het Vergereind waren voor een groot gedeelte weggespoeld; weiden, bossen, en akkers omgewoeld of voeten dik met zand overstroomd; de Dijk zo gehavend dat men 180.000 gulden vroeg om hem te herstellen; te Nieuwkuijk kwamen 55 koeien om. Op de nieuwe pastorie van Haarsteeg stond het water maar een tree onder de zolder. In de pastorie van Onsenoort stond het water 7 voet hoog en brug en hekken zwommen weg. Toen het water verdwenen was kwam de schade pas echt voor de dag. Veel huizen te Vlijmen, Onsenoort, Haarsteeg, Elshout, Scheet, Wolfshoek vielen om, omdat zij bij de inundatie van Heusden nu vijf maanden onder water hadden gestaan.
Onze Linie die tevoren een effen vlakte van vruchtbaar weiland was toonde nu een beeld van een zandzee en een woestenij met diepe kolken. Zelfs in onze heide naar Giersbergen zijn de harde voet- en karwegen zo ondersteboven geworpen, dat men genoodzaakt is nieuwe te zoeken. De koude en armoede door deze ramp, veroorzaakte in het voorjaar veel kwade koortsen en de schrik voor het water had zo'n indruk, zelfs op de beesten gemaakt, dat ik te Vlijmen een zeer hoge trap in een hoog nieuw huis gezien heb, waar een paard op klom, terwijl men naderhand een deel van de zolder heeft moeten breken om het dier omlaag te halen.
Wat voor schade de ramp in Gelderland en bij en boven ’s-Hertogenbosch veroorzaakt heeft, kan men afleiden uit wat er hier en elders is komen aandrijven: huizen, schoppen, schuren, hooitassen, karren, wagens, allerlei huisraad, dreef bij en om Giersbergen.
