Pastoor Beerenbroek uit Drunen heeft over jaren 1793 tot en met 1799 uitvoerig de ellende in die jaren in Drunen en omgeving beschreven. Maar ook doet hij uitvoerig verslag van de oorlogshandelingen in die periode. Een plaatselijke geschiedenis die we niet in onze geschiedenisboeken terugvinden, en daarom een belangrijke bron om de geschiedenis van onze streek beter te leren kennen. Het laatste deel van zijn verhaal.

de pastorie in de pastoorsgalerij hangt - via Jan Lange
Hop en jonge bossen en bijna alle fruitbomen gingen kapot, zodat wij na de beproeving van de oorlog, rode loop, gebrek aan brood en overstromingen mogen uitroepen: "Dankzij Gods barmhartigheid zijn wij niet omgekomen". Eindelijk vertrok op 23 april ons garnizoen, nadat wij vanaf 11 december voortdurend inkwartiering van de bezetting gehad hebben. De kommandant nam na een verblijf van veertien dagen in mijn huis zijn intrek bij de predikant tot zijn vertrek naar Kuilenburg.
De koning van Pruissen, wiens doel het was de keizer uit te putten, maakt vrede met Frankrijk, dat hele het rijk van de koning van Sardinië met de wapens overwon, geheel Lombardijë overweldigde en het beleg sloeg voor het sterke Mantua. Spanje, tegen Frankrijk niet opgewassen, verkoos ook vrede. De Fransen trokken door tot over de Rijn en drongen door tot München en de grenzen van Bohemen. Düsseldorf met al wat eraan grenst moest voor hun bukken, en een groot deel van de Rijkslanden moest de vrede van hen afkopen. Zo trok het krijgsgeweld uit onze republiek weg, maar een ander onheil bedreigde onze oorden.

Heel de advent van 1796 hadden wij hevige vorst met sneeuw. Maas en Waal hadden ijsdijken uren lang. Op Kerstnacht ging men droogvoets naar de zeven uren Mis door de heide naar Giersbergen, en om 10 uur was het één zee, die zo aangroeide, dat het water stond ter breedte van een half uur met ontzaglijk ijsschollen. Men vreesde zeer voor de nieuwe herstelde dijk bij het Vergereind, die echter standhield. Het groot gevaar was hier, en ziet de reden: om het spoelen van de Wielen in de Linie te beletten, hadden de Hollanders een rijsberm (versterking van een dijk) door de Linie gelegd, van het oosten naar het westen ter hoogte van waterpas met het begin van de Linie. Dat werk kostte circa 40.000 gulden. Hoe sterk het ook was, het hield op sommige plaatsen geen stand en de ijsschollen daar tegen lagen deden het water stijgen, met een verval over de berm van vier voet; en daar het niet snel kon afvloeien begon het in onze dijk te dringen, hetgeen men de tweede dag, n.l. op 30 december 1796 eerst bemerkte, en dat zo hevig toenam, dat 's avonds om zes uur iedereen naar de hoogte vluchtte en Elshout, Haarsteeg, Wolfshoek, Heesbeen enz. beesten en mensen elders in onderdak bracht; en waarlijk het gat in de dijk was reeds zo groot en het water, dat het ijs daarin met geweld stortte, maakte zo'n grote wiel, dat noch mest noch hout of ladders vasten bodem hielden.

Men was dus genoodzaakt een nieuwe dijk van aarde, mest en stro te maken achter de dijk die wegspoelde. Alle mannen waren aan het werk, maar men bespeurde dat er bijna de twee roeden van de dijk in een nacht waren weggespoeld. Op het feest van St. Silvester 31 december na de eerste Mis hield het alarm luiden aan. Ik liep er heen, men gaf mij een teken om te vluchten om niet stroom af geworpen te worden. Ik bereikte de dijk, die ieder ogenblik dreigde te bezwijken. Het volk, afgemat, gaf de hoop op, maar nog eens werden de krachten verzameld, en ondersteund door inwoners met paarden uit Elshout ging het voort met de dijk te verdubbelen. Na 48 uur viel het water ongemeen snel en met behulp van Nieuwkuijk, Vlijmen enz. werd de nieuwe dijk rond de opening voltooid. Hij werd tenslotte wel 200 voet breed gemaakt.
Op nieuwjaarsdag scheen 's middags alles buiten gevaar. Het gat in onze dijk gespoeld was circa 100 voet lang, 100 voet breed; de diepte was nog niet gepeild, maar men schatte die op 30 à 40 voet, steeds draaiende als een molenrad; het was aan de voet van de rijsberm circa 500 stappen van het zuidelijk einde van de linie. Een wonder was het dat de knapste lieden van Heusden en de eerste ingenieurs van Holland, die te hulp kwamen, allen radeloos te gapen stonden om een middel te beramen, terwijl zij goedkeurden al wat er door de boeren verricht werd, waarvan er veel 48 uren werkten zonder de dijk te verlaten. Terwijl dit hier voorviel, was het in heel Gelderland en het Overland alarm. Vught, Den Dungen enz. liepen onder, en in 's-Hertogenbosch stond het water enige voeten hoog in de stad, alwaar een pond boter een gulden, en een kan melk acht stuiver kostte. Ware het water hier zo hoog geweest als over twee jaren, of de storm zo hevig, dan was het onmogelijk geweest de dijken te behouden, en een flink deel van ons dorp zou zijn weggespoeld, terwijl wij, zo dicht bij de doorbraak het misschien niet hadden kunnen houden. Dank dus aan God, die de onheilen ten goede heeft gekeerd.
In het jaar 1800 [moet zijn 1799. B.M.] brak weer een dijk door in Haarsteeg, waardoor kerk, pastorie en het nieuwe raadhuis en veel huizen tot aan de fundamenten werden verwoest, verschillende mensen verdronken en veel vee verdronk. Als een ijsvlot zich niet terstond gesteld had in de opening van de doorbraak, waardoor men tijd won om de dijk of de hoogte te beklimmen. Het water is deze keer slechts 15 duim hoog in mijn huis geweest. [De Maasdijk was in Haarsteeg bij het Vergereind, net als in 1795, doorgebroken. Er is later een nieuwe dijk aangelegd (de Inlaagdijk). De schade vooral in Haarsteeg was enorm].

Hier komt een einde aan het dagboek van de pastoor. Een verhaal dat vooral gaat over alle ellende die veel van onze voorouders hebben meegemaakt. Bijzonder hoe men toen alle tegenslagen heeft weten te overwinnen.
