In bestuurlijk opzicht nam Ravenstein vanaf 1380 de rol van Herpen en Uden over, tot dan toe de belangrijkste plaatsen van het Land van Ravenstein. De drost van de heerlijkheid bewoonde het kasteel; de heer verbleef doorgaans elders. In 1397 werd Ravenstein Kleefs territorium en in 1629 van Neuburg-Palts. Dat duurde tot 1748. Vanaf dat jaar tot 1795 heersten er de Sulzbachs.

Gezien vanuit het aangrenzende gewest Gelre en het generaliteitsland Brabant, die vanaf 1648 officieel tot de Republiek der Verenigde Nederlanden behoorden, was het Land van Ravenstein een stukje buitenland met eigen wetten en regels. Zo konden de katholieken uit Staats, en dus protestants, gebied hier ongehinderd ter kerke.
Ook kloosterlingen zochten hun toevlucht in Ravenstein: Augustinessen in Deursen, Jezuïeten in Ravenstein en Kruisheren in Uden. Bijzonder was ook de bouw van de barokke Luciakerk in Ravenstein (1735), die onder andere werd gefinancierd met de opbrengsten van een loterij. De loten werden ook, zij het illegaal, verkocht op het grondgebied van de Republiek.
Het Loterijfonds maakte in 1752 ook de stichting mogelijk van het Gymnasium Aloysianum van de Jezuïeten, dat heeft bestaan tot 1878. Tot de dag van vandaag ondersteunt dit fonds sociaal-culturele activiteiten of zaken ten dienste van de gemeenschap Ravenstein.
In 1805 eindigt de “status aparte” van het Land van Ravenstein, dat na de Franse Tijd deel gaat uitmaken van het Koninkrijk der Nederlanden en in tien gemeenten wordt opgedeeld.
