Waar je tegenwoordig speelgoed uit de winkel haalt of op internet bestelt, was dat vroeger wel anders. Je maakte gewoon je eigen speelgoed!
Fluitje


(Foto: Muu-karhu, 2006. Bron:
Wikimedia Commons (opent in een nieuw tabblad). CC BY-SA 3.0 (opent in een nieuw tabblad))
Een fluitje maken was een kwestie van handigheid. Vroeg in het voorjaar, als de sapstroom op gang kwam, nam je een wilgentakje met een middellijn van ongeveer één centimeter. Het kon ook een takje van een elzenstruik zijn. Aan het meest geschikte einde sneed je ongeveer op 10 centimeter lengte de schil rondom door. Je maakte een toongat op de geschikte plaats en sneed dan het mondstuk er aan. De schors van de fluit maakte je goed nat en je tikte er met het heft van het mes zolang op, totdat je de schors er helemaal af kon draaien. Als dat gebeurd was, sneed je aan de bovenkant van het mondstuk een plat kantje. De schors werd er weer overheen geschoven en de fluit van de rest van de tak afgesneden; klaar was dan de fluit voor gebruik.
Proppenschieter
De proppenschieter was een geliefd wapen. Deze werd gemaakt van een tak van de vlierstruik, die overal wel te vinden was. Vanwege zijn grote overlevingskans werd hij veel gebruikt als aanduiding van de erfafscheiding.
De proppenschieter bestond uit twee gedeelten; het ene deel was de loop en het andere deel de stempel of stamper. Uit de loop werd het zogenaamde merg verwijderd. De stempel werd meestal van een andere houtsoort gemaakt. De dikte van de stempel was ongeveer gelijk aan de binnenkant van de loop en het handvat gelijk aan de buitenkant ervan. De munitie bestond uit natte kranten, bewaard in een oude tabaksdoos of zo. Van die kranten maakte je proppen, die in de loop werden gestampt. Door een prop op het einde van de loop te plaatsen en een prop aan de voorkant erin te persen, ontstond een samenpersing van lucht. De voorste prop vloog zodoende met kracht uit de loop. Gezocht werd dan naar een doelwit om tegenaan te schieten, bijvoorbeeld de hoed van de onderwijzer.

Pijl en boog
De pijl met boog was natuurlijk ook niet weg te denken. Een stevige eiken of essen tak was prima voor de boog. Het bespannen van de boog met een stevig touw was belangrijk voor de kwaliteit van de boog. Als pijl werd een stevige rietstengel gebruikt, aan het einde verzwaard met een stukje vlierhout. Meestal werd geprobeerd om zo hoog of zo ver mogelijk te schieten, bijvoorbeeld ter hoogte van de wijzerplaat van de kerkklok.
Uit: H.S. Ebben, De eerste vijfentwintig jaar van mijn leven in Beers aan de Maas (2010)
