Op de Markt in Etten-Leur heeft ooit een gasthuis gestaan. Het werd gesticht halverwege de 14de eeuw en functioneerde tot het eind van de 17de eeuw.

De stichting
Het gasthuis op de Markt in Etten-Leur werd gesticht door ridder Jan uten Houte Arnz. en zijn vrouw Catharina (van Brecht?). In hun testament van 18 maart 1354 stond dat het gesticht werd ter ere van St. Jan de Baptist, St. Jan de Evangelist, Sint Joris, Sinte Catharina en Sinte Barbara. Als datum op de stichtingsakte staat 21 september 1359 (sente Mathijsdach).
Verder stond er dat de zeven werken der barmhartigheid moesten worden uitgeoefend, er geregeld vijf armen moesten worden onderhouden en er elke nacht twee reizigers moesten worden geherbergd. Het werd gebouwd met toestemming van Jan van Polanen, heer van Breda. Naast de toestemming schonk Jan ook nog een bunder moer, gelegen tussen Etten en Sprundel. De turf van dit moer kon gebruikt worden als brandstof.
Bij dit gasthuis stond ook een kapel “de capelle naast de straet sijnde” met daarin een altaar gewijd aan Onze Lieve Vrouw. Dit altaar was van behoorlijke inkomsten voorzien. Zoals in een acte van 1467 werd vastgelegd, bleef de kapel in eigendom van de familie Uten Houte toen zij de rechten van Etten verkochten. Deze kapel stond er nog in 1655.
De situering
In het regenootboek (belastingregister) van 1675 staat vermeld dat de originele fundatie was in de Middenwijk (de Markt en omgeving).

Transcriptie: “t gasthuis tot Etten. Een huijs hoff & erve sijnde de originele fundatie, oost steenweg, suijt Pieter Willemsen Smit, west de wed. Aarnoud Tomas Stoops, Noord Lambregt Christiaan Bakkers”.
Met behulp van de aangrenzende percelen in het regenootboek kan worden bepaald dat het gasthuis ter hoogte van Markt 13-17 gestaan moet hebben.

De verzorging
De verzorging in het gasthuis werd bekostigd door giften van de stichter en andere particulieren als ook uit eigen inkomsten. De eigen inkomsten bestonden voornamelijk uit verpachtingen van in bezit zijnde landerijen. Een van de particulieren begunstigers was o.a. Maria Hendrix van Heerle. Zij schonk een half veertel erwten, om de armen gedurende de vasten mee te voeden, zo staat vermeld in een brief van 7 mei 1513.
Om de twee of drie jaar werd door het college van schout en schepenen een gasthuismeester aangesteld. Hij moest aan het college rekening en verantwoording van zijn handel en wandel afleggen.
Het einde
Volgens Pieter Nuijts in zijn handschrift werden er tot halverwege de 17de eeuw nog enige personen verzorgd. Daarna werden de armen thuis gevoed en verzorgd. In 1675 wees het college van schout en schepenen het gasthuis als weeshuis aan. Uiteindelijk werd het onder voorwaarden eerst als woning verhuurd en later verkocht. Er mocht niet getapt worden en ook een herberg was uit den boze. De fondsen zijn later aan het armbestuur overgegaan.

De Gasthuisbrug
Op de Caerte van de Vrijheid Etten uit 1677, die in de schepenzaal van het oude gemeentehuis van Etten-Leur hangt, staat de naam Gasthuisbrug vermeld. De brug is gesitueerd op de huidige Zundertseweg, waar de Vossenbergsevaart de weg kruist. Ooit moet daar een brug geweest zijn. Tegenwoordig is het een riool. De brug dankte zijn naam aan de landerijen die daar lagen en eigendom waren van het Gasthuis. In het regenootboek van 1675 worden hier twee percelen van het Gasthuis geregistreerd met de vermelding van de locatie ‘Lage Klappenberg’. De naam Gasthuisbrug was al in 1611 bekend. In dat jaar verkocht Prins Filips Willem, de oudste zoon van Willem van Oranje, ‘een blik nevens de Gasthuisbrug bij den Klappenberg’.

Bronnen:
- West-Brabants Archief, Bergen op Zoom, o.a. regenootboeken.
- Pieter Nuyts, Beschrijving van de Vrije Heerlijkheid Etten, Leur en Sprundel, uitgegeven door Heemkundekring Jan uten Houte zjr. Blz. f.27v en f.35r.
- L. Merkelbach van Enkhuizen, Het gasthuis van Etten in de Ghulden Roos, Jrb. 6, 1946, blz.140.
- A.J. van der Aa, - 2 – Geschiedkundige beschrijving van de stad Breda en hare omstreken, 1845, blz. 245.
