Begin 1900 was het met de hygiëne in de steden en dorpen in de Nederlanden niet geweldig gesteld. Gebrek aan goede hygiënische voorzieningen zorgde voor een spiraal aan ziekten, besmetting, stank en verstopping van afvoermogelijkheden. Deze situatie ontstond mede door de veelvuldige huisslachting van dieren. Het vocht van de geslachte dieren en de ontbinding van het vlees zorgden mede voor een erg ongezonde situatie.

Dit werd door de staat eindelijk erkend en via de Woningwet van 1901 en de Hinderwetvergunning van 1901 werd e.e.a. aan banden gelegd. Deze wetten leidden tot verbetering van de voorschriften voor aanleg en gebruik van lucht, licht en sanitaire voorzieningen in de woonomgeving. Daarmee kwamen ook de huisslachtingen direct onder controle en was deze wet de aanzet tot het ontstaan van de hedendaagse slachthuizen. Nee… er was niet direct een omslag merkbaar, maar de wet voorzag wel in de oprichting van zogenaamde (nood)slachthuizen, die door de vleeskeuringsdienst werden aangestuurd en gecontroleerd. En daarmee werden de huisslachtingen enigszins gereguleerd. De term “varken op de leer” werd zodoende langzaam maar zeker verdrongen, maar dat duurde nog wel tot na WOII.
Spoedzaken
De regulering zorgde voor noodslachtingen in eigen dorp en eventuele vergunningen voor spoedzaken vanuit een ander dorp dienden door de burgemeester bekrachtigd te worden.

er geslacht was, zodat men snel vlees kon gaan kopen
Ook Halsteren ontkwam niet aan de nieuwe regels in verband met huisslachtingen. Door bemoeienis van de vleeskeuringsdienst werd in mei 1925 in eerste instantie een lokaal met winkel van de oude lagere school op de hoek van de Dorpsstraat met de Schoolstraat ter beschikking gesteld. Helaas werd deze locatie snel afgewezen door o.a. de Ned. Hervormde gemeente, de RK Onderlinge Veeverzekering en een groep landbouwers. De juiste reden werd niet vermeld, maar de suggestie wees wel op een hele slechte omstandigheid in deze aloude lokalen.
De gemeente Halsteren heeft echt haar best gedaan om een alternatief te vinden en besloot uiteindelijk over te gaan tot koop van een stuk terrein aan de Tholenseweg. Het lag schuin tegenover Vogelenzang.
Zij lieten in 1926 de gemeente-opzichter A.A. de Boeck, samen met het hoofd van de Keuringsdienst Steenbergen, een gebouw ontwerpen dat aan de eenvoudige wensen voor het gebruik kon voldoen. Dat plan werd in een aanbesteding financieel getaxeerd en de aannemer C. Buijens ging het voor fl. 1719,= bouwe.

Ook werden de Nederlandse slachters geconfronteerd met keuring van hun winkels / werkplaatsen. Na een eerdere “slappewas”-aanpak van de wetten van 1901 werden die later behoorlijk aangescherpt en volgens art. 19 van de Vleeskeuringswet moesten onhygiënische zaken definitief aangepakt worden. Werd dit nagelaten na 24 september 1931, dan werd er direct vervolging ingesteld. In het dorp Halsteren werd in 1924 al een zevental slagerijen goedgekeurd for slacht en vleesverkoop, maar ook daar schortte er nog wel iets.

Met de bouw van een pand voor de noodslachtingen waren de problemen nog niet zomaar opgelost. De “vrije hand” voor gebruikers, die bij aanvang werd toegepast, bleek niet echt werkbaar te zijn en de gemeenteraad werd regelmatig te hulp geroepen om verbetering aan te brengen. De meest actieve slachter was Simon van Meer. Hij was een van de slachters die dit gebouw nu vele malen gebruikte en hij komt met de nodige verzoeken naar de raad:
- 1932: verzoek tot het snel aanstellen van een vaste slachter. Er raakte wel eens wat kwijt en hij wilde dat één persoon verantwoordelijk was voor materiaal en administratie. Hier komt nog geen akkoord voor.
- 1937: een vraag voor vergoeding voor het schoonmaken van de noodslachterij. De raad besluit hem een vergoeding van fl. 25,= per jaar toe te staan.
- 1940: een hernieuwde aanvraag voor aanstelling van een vaste slachter. Hij stelt zichzelf kandidaat. Dat gebeurt… maar alleen voor de slachtingen. Het vlees blijft verkoopbaar door de eigenaar van het geslachte dier.
- 1941: verzoek om hem alle noodslachtingen die onder gemeente Halsteren vallen, te laten slachten en te verkopen.
- 1943: verzoek om het bedrag van het schoonhouden van de noodslachterij te verhogen.
- 1948: verzoek om hem te ontheffen van het schoonhouden van het gebouw. Er wordt door de gemeente al bekeken of het aanhouden van het pand van de noodslachterij nog zinvol is. Dus wordt hem gevraagd dit nog tijdelijk te blijven doen.
- 1954: Zijn verzoek tot beëindiging wordt bevestigd en per 1 januari 1955 worden zijn beide taken in de noodslachterij als geëindigd beschouwd.

Er moet wel verteld worden dat Simon van Meer bij het in werking treden van het noodslachthuis zelf ook slager was en een winkel uitbaatte in de Oude Weg 3 sinds 1929. In 1940 werd hij koffiehuishouder / herbergier in de Dorpsstraat 25. Hij bleef ook zijn originele beroep uitoefenen. De naam van zijn café was De Veehandel. Latere naam van het café werd De Staminee.
Noodslachthuis
Het noodslachthuis bleek al snel te klein voor de activiteiten die er plaatsvonden. De gemeente liet de gemeente-opzichter De Boeck een plan indienen om een stuk aan te bouwen aan het huidige pand. Het pand werd uitgebreid met twee lokalen, een gang en een wc, terwijl de winkellambrisering betegeld werd. E.e.a. volgens de voorschriften aangepast. Deze aan-/verbouw vond plaats in 1929. De kosten voor deze aanbouw werden geschat op fl. 700,=. Eventuele extra ventilatoren kostten toen al 50 tot 80 gld. per stuk.
Ondanks de aanwezigheid van dit slachthuis werden er toch nog de nodige huisslachtingen verricht. In 1929 was dat een fors aantal van 322 keer alleen al in het eerste kwartaal. Dat toont inderdaad dat de regulering nog maar erg summier werd toegepast. Zoals al duidelijk werd na WOII werd erover nagedacht het noodslachthuis te beëindigen. Er volgden steeds meer fusies tussen de kleine slachthuizen en de grote regionaal werkende slachthuizen en ook dat speelde een rol. Ook de intrekking in 1950 van de toeslag voor boeren en landarbeiders voor het laten slachten in de abattoirs werkte weer mee aan het huisslachten. U snapt het al: de cirkel is rond en mede daardoor verpauperde het noodslachthuis aan de Tholenseweg.

Overleg met het hoofd van de Vleeskeuringsdienst in Steenbergen en de herziening van rechten en plichten t.a.v. het gebruik van de noodslachtplaats (raadsvergadering van 1 aug. 1954) luidt de sluiting van het pand in. De vaste noodslachter en schoonhouder Simon van Meer wordt voor deze taken ontslagen per 1 jan. 1955. Alle slagers in het dorp krijgen weer toegang tot het noodslachten, maar zij moeten wel zelf de boel schoonhouden en gebruiksrechten betalen. Dit blijkt dus niet te werken en zodoende raakt het pand langzaam in verval.

In maart 1960 wordt in de gemeenteraad besloten het in deplorabele staat verkerende slachthuis buiten gebruik te stellen en de noodslachtingen te verplaatsen naar de noodslachtplaats in Steenbergen. Een vervolg komt in de raad van 30 aug. 1960 met het aangenomen voorstel dat de verkoop van het pand behelst.
De gemeente zelf doet nog een poging de slachtplaats aantrekkelijk te maken voor verkoop door een plan en begroting op te stellen voor de ombouw naar een bejaardenwoning. De verkoop wordt al aangekondigd via een advertentie in het BN op 5 aug. 1960. In 1961 wordt het pand verkocht aan een particulier en daarmee was de noodslachterij verleden tijd.
De tekst van dit artikel is gepubliceerd onder een CC BY-SA 4.0-licentie. Voor de illustraties geldt de licentie die in het bijschrift is vermeld.

