Van 2006 tot 2017 schreef Henk Beijers als coördinator van de historische werkgroep van de Heemkundekring Schijndel de rubriek 'Historische nieuwtjes' voor het Schijndels Weekblad. Daarin bracht hij zijn lezers op de hoogte van bijzondere archiefstukken die nieuw licht werpen op de geschiedenis van Schijndel.
Wie oude archieven leest komt ook af en toe criminele dossiers tegen die ons iets verhalen over de gewelddadigheden die in het verleden plaats vonden. Archiefonderzoekers die veel historisch onderzoek doen in uiteenlopende archieven komen vanzelf tot het diepere besef dat er in wezen weinig nieuws onder de zon is. De criminaliteit onder mensen bestaat al eeuwen. Geweld bestaat en bestond in allerlei gradaties, maar wat zich in Wijbosch voltrok is een stukje Schijndelse historie dat we een ‘zwarte bladzijde’ mogen noemen, alhoewel de dader geen Schijndelaar was maar de slachtoffers wel nl. 18de-eeuwse voorouders van de huidige familie[s] Verhagen.
Het drama speelt zich af in 1765. Het werd ontdekt door collega-onderzoeker Antoon Vissers uit Deurne die het dossier aantrof in het archief van de drost van Ravenstein. De dader was afkomstig uit Uden dat destijds viel onder het land van Ravenstein. Het viel destijds niet onder het gezag van de bekende Staten-Generaal wat wel gold voor stad en Meierij van ’s-Hertogenbosch. De hoogste functionaris was de drost of drossaard. Deze werd aangesteld door de heer en woonde normaliter te Ravenstein zelf. Hij was verantwoordelijk voor het algehele bestuur in het land van Ravenstein. Hij bezat de bevoegdheid allerlei verordeningen uit te vaardigen en stelde de regelingen op die te maken hadden met openbare orde en veiligheid. Aan hem was ook de rechtspraak toevertrouwd in criminele zaken zoals doodstraf, lijfstraffen en hoge boeten. Ten behoeve van de strafrechtspraak trad naast hem een advocaat-fiscaal op, iemand die vooral betrokken was bij gerechtelijke vooronderzoeken en o.a. zorgde voor de schriftelijke verslaglegging.
Signalement van de dader
Het dossier bestaat uit een hele serie stukken zoals een ondervraging van de moordenaar, rekeningen van beambten die betrokken waren geweest bij de afhandeling van deze rechtszaak en last but not least de vele opgeroepen getuigen o.a. voor de schepenbanken van Schijndel, Son en Eindhoven.
We beginnen met het signalement van de dader. Dat blijkt een zekere Martinus Driessen te zijn, een gareel- of haammaker afkomstig uit Uden, die eind januari in hechtenis is genomen en op de dag van de ondervraging vastzit op het kasteel van Ravenstein. Op 14 februari wordt hij aan een gedetailleerd verhoor onderworpen dat men in vaktermen een ‘interrogatie’ noemt. Daaruit blijkt dat hij 35 jaar oud is, afkomstig uit het Belgische Peer in het zgn. land van Luik, rooms katholiek en sinds 13 jaren woonachtig binnen het land van Ravenstein. Zijn ouders zijn al lang overleden en begraven op het kerkhof in zijn geboortedorp. Zijn vader was van beroep droogscheerder werkzaam binnen de lakenbereiding.
Hij had vier broers en zussen die allen al zijn gestorven en er woont nog een halfbroer van hem in Weebosch onder Bergeijk. Martinus is getrouwd met een zekere Johanna Meulders weduwe Van Gestel afkomstig uit Steensel en uit dit huwelijk zijn vier kinderen geboren. Zijn beroep is haam- of gareelmaker, iemand die dus paardenhamen of halsjukken maakt en daarnaast schijnt hij veehandelaar te zijn in paarden en runderen. Van dit laatste type handel zou zijn vrouw overigens niet op de hoogte zijn.
Waarom hij gearresteerd is zal volgens hem wel komen omdat hij door anderen beticht wordt van een moord, die hij heeft begaan te Schijndel. Eerst wil hij nog vier andere daders de schuld geven en twee gure types die zich zwart gemaakt hadden en zgn. een overval wilden plegen. Zo probeert hij zijn onschuld te bewijzen.
In zijn zwerftocht in deze contreien heeft hij vóór de fatale moord nog geslapen in het huis van zijn uiteindelijke slachtoffer, nl. Lambert Jansse Verhagen, woonachtig onder Wijbosch in de directe omgeving van de Wijbossche kapel. Hij is daar op zondagavond rond 6 of 7 uur gearriveerd en zou met Lambert over de verkoop van een stuk land willen spreken, waar ze het in een eerder stadium al eens over gehad hadden. Het was de avond en nacht van 27 op 28 januari 1765. De familie lag echter al op bed, maar desondanks kwam de vrouw van Lambert uit haar bedstee en liet hem binnen, zoals hij verklaarde. Hij droeg op dat moment een ‘blauwe verschoten trijpe broek en een trijpe hoog donkerblauwe camisool minder verschoten en een rock’ [‘trijp’ is een soort fluweelachtige of lakense stof]. In de diverse getuigenverklaringen wordt hij omschreven als ‘kort en rank van postuur en smal van tronie’.
De vrouw van Lambert besprak even later, nadat Martinus bij het vuur was gaan zitten, met haar man het voorstel van ‘hun gast’ om de volgende morgen naar ’s-Hertogenbosch te gaan en daar voor de schepenbank de koop van het land, toebehorende aan een zekere Daniel Versteege uit Uden, te laten bekrachtigen via een deugdelijke Bossche schepenbrief. Lambert ging akkoord en ze zouden ’s nachts om 2 uur aanwandelen richting ’s-Hertogenbosch.
Martinus wordt een slaapplaats aangeboden naast de broer van Lambert. Prompt om 2 uur in de vroege morgenstond vertrekken ze vanuit het Wijbosch. Lambert kent hij, maar broer Johannis niet en ook de familienaam is hem niet bekend. Hij verklaart tijdens de interrogatie ook nog dat hij de gebroeders Verhagen een drankje had aangeboden voordat hij ging slapen en daar hadden ze op zijn aandringen een slokje van genomen. Hij noemde het zelf ‘lafas of lavass’, een drankje dat hij in een winkel te Boxtel had gekocht, volgens zijn eigen zeggen.
Geestelijke bijstand
In hetzelfde dossier bevindt zich ook een brief van de hoog- en laagschout van ’s-Hertogenbosch Van Adrichem aan Johan de Lauwere landdrost van Ravenstein met een uitdrukkelijk verzoek om Martinus Driessen, indien hij schuldig wordt bevonden en geëxecuteerd zal worden voor het hem te laste gelegde delict, toe te staan dat hij wordt bezocht door een gekwalificeerde rooms-katholieke priester zoals dat gebruikelijk is in de katholieke kerk. Gezien de tijdsomstandigheden, nl. de protestantse overheersing van die tijd in de Zuidelijke Nederlanden, geeft Van Adrichem zelf al aan dat zoiets dan in alle stilte moet geschieden zoals dat ook op andere plaatsen aan rooms-katholieke onderdanen wordt toegestaan, om zodoende gedetineerden op hun dood te kunnen voorbereiden.
Bronnen: BHIC, Archief van de Drost van Ravenstein, toegangsnr. 825 inv.nr. 156; mr. G.F. van der Ree – Scholtens, De grensgebieden in het noordoosten van Brabant ca. 1200-1795 – institutionele en juridische aspecten [1993 in: Brabantse Rechtshistorische Reeks pag. 178]
Oorspronkelijke publicatiedatum: 29 december 2011 (nr. 47a)
Illustratie via Rijksstudio.
