Van 2006 tot 2017 schreef Henk Beijers als coördinator van de historische werkgroep van de Heemkundekring Schijndel de rubriek 'Historische nieuwtjes' voor het Schijndels Weekblad. Daarin bracht hij zijn lezers op de hoogte van bijzondere archiefstukken die nieuw licht werpen op de geschiedenis van Schijndel.
Ter inleiding
De rijke verzameling schepenprotocollen uit het oud archief van vóór 1811 biedt legio mogelijkheden om voor de komende periode een serie historische nieuwtjes samen te stellen. We baseren ons dan in eerste instantie op alle zgn. getuigenverklaringen en interrogaties [= ondervragingen] over allerlei gebeurtenissen van uiteenlopende aard en lengte. Gelet op wat we in deze moderne tijd allemaal meemaken zal iedere lezer tot de conclusie komen dat er in wezen niets nieuws onder de zon is, alleen de omstandigheden waren anders.
De dienstmaagd van de predikant
Arnoldus van der Crabben [40], Maria de weduwe van Cornelis van der Heijden [53], Johanna de vrouw van Johannes Vorstenbosch [32], Eijken de vrouw van Willem Verschuijten [36] en Adriaantje de vrouw van Francois van Bree [28] waren allen opgeroepen om onder een solemnele eed te komen getuigen ten overstaan van Isaacq Scriba. Hun getuigenverklaring deden ze op verzoek van Silvester Ideleth pastoor te Schijndel en zijn kerkmeesters Corstiaan Verhagen en Jan Jan Adriaans Verhagen. Arnoldus trad op de 27e juli als eerste naar voren maar moest bekennen dat hij zich de juiste dag waarop de gebeurtenis plaats vond niet meer exact weet te melden. Hij dacht dat het zo’n 2 à 3 weken geleden was voorgevallen dat Hendrina Hendrik Kemps, de dienstmaagd van predikant Petrus Grootveldt zich bij hem meldde en vroeg om twee halve broden. Ze overhandigde hem een kerfstok waarop die broden konden worden aangetekend.
Maria van der Heijden vertelde dat ze op de 18e maart 1751 aan genoemde dienstmaagd die bij haar in huis was vroeg: “Waar bent ge vandaan, ik ben niet gewend u hier te zien”. Hendrina antwoordde: “Ik ben van Stratum vandaan, hebbe daar kennis”. Beide dames gingen daarna uit elkaar. Ruim een half uur later werd Maria geroepen door Johanna die haar vroeg om bij haar in huis te komen. En wie trof ze daar aan…..jawel, predikant Petrus Grootveldt. Die sprak Maria aan en zei: “Hoe bent ge soo stout dat ge mijn meijt aan durft spreken”. Verbouwereerd vroeg Maria: “Waarom mijn Heer?”
De predikant op zijn beurt zei met enige kracht in zijn stem: “Ik wil se van geen paapse aangesprooken hebben, want het is mijn kint, ik hou se voor mijn kint, die heb ik affgebrogt van dat vervloekt vermaledeijdt gelooff “. Ja, als je in die tijd de roomse godsdienst aanhing dan kon je op tegenstand rekenen. Roomsen en hervormden lagen elkaar destijds niet zo en de predikant stak dat dan ook niet onder stoelen of banken, maar kwam ruiterlijk voor zijn mening uit. Alle roomse rituelen en symbolen of uiterlijk vertoon zoals wegkruisen, processies, vaandels met heiligen erop, vrome en devote kerkdiensten en noem maar op, het paste allerminst in de nieuwe ware gereformeerde religie. Als het maar enigszins aanstoot gaf aan de hervormden was het al foute boel. Zelfs elkaar aanspreken leek al uit den boze als we deze getuigenverklaring mogen geloven. De pausgezinden uit die periode konden er overigens ook wat van getuige de vele bespottingen en beschimpingen aan het adres van hervormden.
Deze constatering zou met het grootste gemak geïllustreerd kunnen worden met tientallen voorvallen, voor insiders bekend onder ‘paapse stoutigheden’ waarin de religieuze tegenstellingen zichtbaar werden, om nog maar niet te spreken van een soort hetze onder elkaar. In die tijd was oecumenisch denken nog taboe!
De aap uit de mouw
Eijken kwam met een totaal andere verklaring op de proppen. Die had Hendrina Kemps een maand of twee geleden ontmoet die toen een opvallende bekentenis deed, zelfs met ‘krijtende oogen’ en vertrouwde Eijken haar diepste gevoelens toe door te zeggen: “Ik woudt dat ik wegh was; kan ik mijn goet hier niet laten om neer te setten?”. Eijken antwoordde: “Neen, ik wil u goet hier niet hebben”. Hendrina gaf de moed niet op en deed de volgende suggestie: “Wilt ge dan eens voor mij naar den pastoor off cappellaan gaan off ik daar mijn goet kan laaten? “ Eijken, die niet uit was op trammelant antwoordde: “Ik moeij me daar niet mee!”. Het moge duidelijk zijn dat Hendrina zich niet erg happy voelde als dienstmeid ten huize van de predikant.
De vrouw van de predikant, juffrouw Theodora de Jongh, deed er toen ze bij Adriaantje was nog eens een schepje bovenop toen ze het samen over Hendrina Kemps hadden. Theodora nam geen blad voor de mond en vertelde aan Adriaantje in vertrouwen: “Ja, wat sal ik seggen, ik wouw dat ik se quijt was, het is een overdreven schepsel, men kan niet weten off se gereformeerd off katholiek is”. Of Hendrina nog lang bij de predikant en predikantsvrouw in dienst is gebleven is uit de archiefbronnen niet te af te leiden.
[Bron: BHIC toegang 5122 inv.nr.158 Algemeen schepenprotocol van Schijndel over de periode 1751 tot en met 1753 scans 76 tot en met 80 ofwel folio 36v tot en met 38 verso.]
Oorspronkelijke publicatiedatum: 17 juni 2016
