Van 2006 tot 2017 schreef Henk Beijers als coördinator van de historische werkgroep van de Heemkundekring Schijndel de rubriek 'Historische nieuwtjes' voor het Schijndels Weekblad. Daarin bracht hij zijn lezers op de hoogte van bijzondere archiefstukken die nieuw licht werpen op de geschiedenis van Schijndel.
Als je regelmatig archiefonderzoek doet buiten het Schijndelse bronnenmateriaal dan kom je af en toe zeer opmerkelijke gebeurtenissen tegen. Zo stuitte ik in de resoluties van de Raad van State, na de val van ’s-Hertogenbosch [1629] en de daarop volgende Vrede van Münster [1648], hét adviesorgaan van de Staten-Generaal, op een boeiend relaas over een reis, met als einddoel Brussel, van Aartshertogin Maria Anna en haar gemaal Prins Karel van Lotharingen, beiden aangesteld tot resp. gouvernante en gouverneur der Nederlanden. Zij zouden ook Noord-Brabant passeren. Maria Anna was de zus van Maria Theresia van Oostenrijk en Karel was de zoon van Leopold van Lotharingen. Ze zouden op de 26e maart arriveren in Brussel waar ze hun intrek namen in het Paleis van Nassau en op het kasteel Tervuren. Vrij kort daarop zou de Oostenrijkse Successie-oorlog losbarsten, die pas op 18 oktober 1748 met de Vrede van Aken werd beslecht.
De Staten van Brabant in Brussel hadden hun goedkeuring aan die reis gegeven en een subsidie verleend van maar liefst 1.200.000 florijnen waarvan er 500.000 bedoeld waren als huwelijksgift voor het majesteitelijk echtpaar.
Een logistieke operatie die zijn weerga niet kent, in ogenschouw nemend hoe men halverwege de 18e eeuw dit soort verre reizen noodgedwongen moest maken nl. te paard al of niet in rijtuigen over deels kasseiwegen of zandbanen met de nodige oneffenheden of per schip. De vorstin koos voor het eerste alternatief.

Via een schrijven aan de Staten-Generaal in Den Haag door Baron van Reischach, de afgezant van Hare Majesteit en geschreven vanuit Wenen, werd bekend gemaakt dat het hertogelijk echtpaar een huwelijksreis zou maken, waarbij ze met hun gevolg via Praag, Dresden en Leipzig uiteindelijk zouden arriveren in Wesel, om van daaruit verder te trekken via het land van Kleef naar Noord-Brabant.
De heer van Heeckeren tot Brantsenburg en andere gedeputeerden van de Staten-Generaal, vergezeld van enige afgevaardigden van de Raad van State trokken zich in een conferentie terug om de komst en het verblijf nauwkeurig voor te bereiden. In de brief van de gezant stond dat het prinselijk paar op de 16e maart in Grave zou arriveren en aldaar zou overnachten, de 17e Heesch zou aandoen om vervolgens verder te trekken naar ’s-Hertogenbosch waar ook overnacht zou worden, de 18e zou men van ’s-Hertogenbosch via Loon op Zand, waar de paarden gewisseld werden, de route vervolgen om uiteindelijk Breda te bereiken en van daaruit, met nieuwe paarden, af te reizen naar Groot Zundert waar men de nacht zou doorbrengen. De 19e maart zou het gevolg doorreizen via Wuustwezel richting Brussel. Dat was het voorlopige routeschema.
Men moest in iedere plaats waar het echtpaar ontvangen werd en/of overnachtte rekening houden met een stoet van 27 zadelpaarden, 178 transport- of trekpaarden met karren voor de bagage en 25 à 30 losse paarden, voor het geval dat er paarden zouden uitvallen wegens ziekte of overmatige vermoeidheid. In totaal 230 viervoeters! Stel je dat alleen al eens concreet voor! Het moet een indrukwekkende stoet geweest zijn.
Generaliteitsboden snel op pad
De boden van de Staten-Generaal kregen het druk. Besloten was immers om alle gouverneurs, commandanten en commanderende officieren van diverse garnizoenssteden aan te schrijven. Er moesten brieven met beschrijvingen bezorgd worden bij de heren Staten van Gelderland, de ambtman van Grave, de hoogschout van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch, de drosten van Loon op Zand en Breda en zij op hun beurt dienden andere belanghebbenden in hun district van de juiste informatie te voorzien.
Het escorteren van het vorstelijk gezelschap zou verzorgd worden door een eskadron uit Nijmegen, dat werd aangevoerd door Slippenbach, van Grave naar Heesch werd het eskadron van Van Lijnden van Blitterswijk, in garnizoen te Grave, verantwoordelijk gesteld. De escorte op de route Heesch – ’s-Hertogenbosch – Breda was in handen van een eskadron van de Nassau-dragonders die in garnizoen lagen te Maastricht. Van Breda naar Groot Zundert trad het eskadron van Van Rechteren aan dat in Breda in garnizoen lag. Ten slotte zou het eskadron van Mattha, in garnizoen te Bergen op Zoom, zorg dragen voor de tocht naar de grens bij Wuustwesel van waaruit de tocht verder ging via Antwerpen en Mechelen richting Brussel, waar ze ten slotte op de 26e maart ’s middags om 3 uur arriveerden. De eskadrons die hun taak vervuld hadden konden weer naar hun garnizoensplaats terugkeren.
Bovendien werd dringend verzocht aan de gouverneurs van de garnizoenssteden Grave, ’s-Hertogenbosch en Breda, het vorstelijk paar aan de poorten van de stad af te halen, kanonschoten te lossen en alle militairen zouden zich in uniform moeten presenteren. Foeriers werden vooruit gezonden om te zorgen dat alle logementen tot in de perfectie in gereed werden gebracht zodat de Koninklijke Hoogheden vorstelijk konden worden ontvangen. Op papier leek deze gigantische operatie dus perfect geregeld en onder normale omstandigheden zou er niets meer mis kunnen gaan was misschien wel de gedachte, ware het niet dat de weersomstandigheden het nodige roet in het eten zouden kunnen gooien.

Bezorgdheid bij stadhouder Otto Juijn
De stadhouder van de hoogschout van ’s-Hertogenbosch had zich serieus verdiept in de orders van de Staten-Generaal en stelde allereerst enige vragen ter verheldering. In de oorspronkelijke stukken stond immers niets vermeld over de uitbetaling voor al die mensen die ermee gemoeid waren om deze spectaculaire klus te laten slagen, het enerzijds vorderen en anderzijds op de vastgestelde plaatsen het wisselen van paarden, lijsten aanleggen van voerlui die met name het transport zouden begeleiden, het regelen en in orde brengen van de logementen en meer van dat soort taken.
Vervolgens wilde hij graag antwoord op de vraag of de vordering van al die paarden in de verschillende dorpen en steden moest geschieden via een publieke aanbesteding, waarvan men dan ‘bij klokkeslag’ een publicatie zou laten uitgaan of door ze rechtstreeks te vorderen, zonder daarbij onderscheid te maken of het een heerlijkheid of statendorp betrof. Daarop kreeg hij bericht vanuit de Staten-Generaal via enige gedeputeerden voor militaire zaken, dat hij erop kon rekenen dat er een redelijke vergoeding tegenover zou staan.
Er doemde echter nog een geheel ander onverwacht probleem op. Tot grote ongerustheid van de organisatoren was het water in de rivier de Maas dusdanig gaan stijgen dat men z’n hart vasthield of de oorspronkelijke route en het voorgestelde tijdschema wel gevolgd zou kunnen worden. Het bleef maar stijgen en stadhouder Juijn liet weten dat het op de vastgestelde dag te gevaarlijk zou zijn vanuit Grave naar ’s-Hertogenbosch indien het water niet zou gaan zakken. Dat meldde hij aan de Staten-Generaal. Zijn missive werd een serieus bespreekpunt in de conferentie van diverse gedeputeerden in Den Haag. Men liet dit overigens ter beoordeling aan de gouverneurs en commandeurs ter plaatse.
Route via Schijndel
In ’s-Hertogenbosch was men er helemaal op voorbereid. De magistraat had een hele ceremonie bedacht om het vorstelijk paar bij aankomst uitbundig te begroeten. Men zou de nodige kanonschoten afvuren, alle klokken luiden, vreugdevuren ontsteken, burgers in twee rijen langs de straten laten posten waar de stoet zou passeren om de vorstin en haar gemaal luid te kunnen toejuichen en in het stadhuis was alles in gereed gebracht om de hoogheden een grandioze ontvangst aan te bieden. Kortom….flink uitpakken, want zoiets zouden ze voorlopig nooit meer meemaken! Het doorbrak het dagelijkse ritme van de Bosschenaren.
Maar…..de feestvreugde sloeg om in teleurstelling, want uiteindelijk besloot men de route te wijzigen vanwege het hoog water op het traject Grave-‘s-Hertogenbosch. Vanaf Heesch sloeg men een andere richting in en verplaatste het ‘convooi’ zich via Nistelrode, Vorstenbosch, Veghel, Schijndel naar Boxtel, om van daaruit via Tilburg garnizoensstad Breda te kunnen bereiken. De ingezetenen van al die dorpen zijn er dus getuigen van geweest hoe aartshertogin Maria Anna en haar gemaal Karel van Lotharingen hun dorp passeerden. Het moet een indrukwekkend schouwspel geweest zijn, wat men niet dagelijks meemaakte.
In allerijl waren de betreffende gouverneurs, officieren en commandanten in kennis gesteld van deze routewijziging. Voor een uitgebreid ooggetuigeverslag kan degene die hevig geïnteresseerd is in de details het in de bronvermelding opgenomen werk ‘Europische Mercurius’ raadplegen, tegenwoordig zelfs via internet. Via een van mijn historische collega’s nl. Hans Pennings uit Heesch bereikte mij het bericht dat in de dorpsarchieven van de gepasseerde Brabantse plaatsen gedetailleerde informatie is terug te vinden mogelijk in de resolutieboeken van de schepenen of anders in de borgemeestersrekening van 1744 met bijlage. Jammer genoeg gaat dat voor Schijndel niet op, omdat in WO II juist dat bronnenmateriaal door brand is weggevaagd en duplicaten zijn er niet!
Bronvermelding
- BHIC toegang 178 inv.nr.341 Resoluties van de Raad van State dienstjaar 1744 1e kwartaal – folio 310 dd. 6 maart 1744 en folio 383 verso dd. 13 maart 1744
- Mr. Johan Hendrik van Heurn Historie der Stad en Meyerye van ’s-Hertogenbosch vierde deel [1729-1766] Utrecht 1778 – heruitgave Adr. Heinen [1974] pagina 72 e.v.
- Nederlandsch Gedenkboek of Europische Mercurius 1744 1e deel [University of Michigan – General Library
Oorspronkelijke publicatiedatum: 28 mei 2015 (nr. 72)
