Van 2006 tot 2017 schreef Henk Beijers als coördinator van de historische werkgroep van de Heemkundekring Schijndel de rubriek 'Historische nieuwtjes' voor het Schijndels Weekblad. Daarin bracht hij zijn lezers op de hoogte van bijzondere archiefstukken die nieuw licht werpen op de geschiedenis van Schijndel.
Ter inleiding
De rijke verzameling schepenprotocollen uit het oud archief van vóór 1811 biedt legio mogelijkheden om voor de komende periode een serie historische nieuwtjes samen te stellen. We baseren ons dan in eerste instantie op alle zgn. getuigenverklaringen en interrogaties [= ondervragingen] over allerlei gebeurtenissen van uiteenlopende aard en lengte. Gelet op wat we in deze moderne tijd allemaal meemaken zal iedere lezer tot de conclusie komen dat er in wezen niets nieuws onder de zon is, alleen de omstandigheden waren anders.
Gerbrands…de schmiecht
Als er één schavuit bekend is uit de Schijndelse historie dan is het de 18e-eeuwse vorster Thomas Gerbrands. Van alles heeft hij uitgehaald wat aanstootgevend was en de nodige ergernis opwekte in zijn omgeving, heel vaak bijgestaan en ondersteund door zijn vrouw, die er dikwijls nog een schepje bovenop deed. Het onderstaande hebben we te danken aan een getuigenverklaring van Martinus Willem Corsten uit Schijndel, Jan Jan Gorissen en zijn vrouw Cathalijn Jansse van der Schoot te Heeswijk. Ze legden die verklaring overigens af op verzoek van predikant Petrus Grootveldt die bepaald geen fan van Gerbrands was.
Het was 27 maart 1750 de vrijdag vóór Pasen als ’s morgens om 6 uur Thomas Gerbrands samen met zijn vrouw zich meldde aan het huis van Martinus in d’n Houterd. Je zou zeggen, wie gaat er uitgesproken op Goede Vrijdag al zo vroeg op pad? Eenmaal binnen stelde Thomas aan Martinus de vraag of hij eventueel bereid zou zijn om het echtpaar te begeleiden naar Dinther. Misschien was Martinus wel enigszins verrast door dat aanbod, maar hij wimpelde het verzoek aanvankelijk af door te zeggen dat hij eigenlijk geen tijd had. Gerbrands moest vast en zeker gedacht hebben….de aanhouder wint en verzekerde Martinus dat hij betaald zou worden voor dat tochtje. Uiteindelijk ging Martinus door de knieën en zou mee naar Dinther gaan.
Hoe voer je iemand dronken
Ze gingen goed gemutst op weg en op een bepaald moment passeerden ze het huis van Jan Jan Gorissen staande in de akkers tussen het kasteel van Heeswijk en de kerk. Daar stopte het gezelschap en Thomas bood Martinus een glas jenever aan en zei daarbij: “Drink maar lekker uit!” Na die rustpauze ging de tocht verder richting Dinther want de uiteindelijke bedoeling van Thomas was om bij zijn zwager Willem Blonket aan te gaan. Ook daar werd Martinus weer jenever aangeboden en Thomas bereikte zijn doel….Martinus raakte aardig beschonken.
Toen Thomas dat constateerde kreeg hun gesprek ineens een geheel andere wending en ontfutselde hij bij Martinus diens mening over een zekere Schenkels, wat een ‘moeijtemaker’ zou zijn. Ondanks zijn beschonken toestand liet Martinus zich niet verleiden om daar een rechtstreeks antwoord op te geven en deed het af met: “Dat kan gebeuren maar dat en weet ik niet!” Gerbrands, de geslepen vos, die zich niet voor één gat liet vangen, suggereerde vervolgens: “Dat hebt gij evenwel wel hooren seggen” en wat Martinus daarop gezegd zou hebben stond er niet bij. Thomas echter, zo gehaaid was hij wel, liet dat snel op papier vastleggen en zou dat later als bewijsmateriaal inzetten.
Hij verzocht vervolgens aan zijn ‘slachtoffer’ nog even mee door te gaan naar het huis van de secretaris van Dinther. Over dat bezoek wist Martinus zich nog wel heel vaag te herinneren dat er iets was voorgelezen door de secretaris in het bijzijn van twee Dintherse schepenen, maar wat exact was voorgelezen was Martinus volkomen ontgaan. De secretaris vroeg wel aan Martinus om hierop voor hem, omdat de drossaard van Dinther niet aanwezig was, een eed af te leggen. Martinus werd zelfs nog haring aangeboden tegen zijn dronkenschap, maar toen ze hem hierover iets vroegen gaf hij toe echt niet meer te weten of dat voor of na de eedsaflegging was. Ze gingen weer terug naar het huis van Blonket, waar Thomas zijn paard en kar had achtergelaten. Op de terugweg gingen ze, het was inmiddels 4 uur in de namiddag, ook nog even langs bij Jan Gorissen in Heeswijk, waar Martinus nog een halfje jenever naar binnen werkte. Op een gegeven moment moet hij vanwege zijn overmatig drankgebruik van de kar zijn gevallen, maar ondanks alles kwam hij toch weer veilig terug in d’n Houterd.
Gerbrands had precies bereikt wat hij wilde bereiken, een schriftelijke verklaring met een negatief oordeel over Schenkels!
Woordenlijst
Tilburgse dialectwoorden die met het drinken van jenever verbonden zijn:
- nutje = neutje (Lechim)
- kiest = kist, kast, bar, toog (Lechim)
- mòtje = maatje, hoeveelheid jenever (Sterenborg)
- sneevelboer = slijter, distillateur, leverancier van alcoholische dranken (FVB)
- sneevellap = zatlap , dronkaard, dronkenlap, zuiplap (Sterenborg)
- sneevelneus = zuiplap (Sterenborg)
- pruuver = jeneverdrinker (Sterenborg)
- pierenverneuker = ‘Glas klare genever ’s morgens voor het ontbijt’ (Damen 1916)
- pop = ‘En hij kreeg een borreltje van de pop – verschillende kruiden op genever gezet’ (Damen 1916)
- Snevelpraot = dronkemanstaal (Robben 20-11-1970)
[Bron: BHIC toegang 5122 Algemeen schepenprotocol van Schijndel inv.nr.158 scans 119 t/m 123]
Oorspronkelijke publicatiedatum: 16 februari 2017 (nr. 92)
