Van 2006 tot 2017 schreef Henk Beijers als coördinator van de historische werkgroep van de Heemkundekring Schijndel de rubriek 'Historische nieuwtjes' voor het Schijndels Weekblad. Daarin bracht hij zijn lezers op de hoogte van bijzondere archiefstukken die nieuw licht werpen op de geschiedenis van Schijndel.
Attentiestenen
Sinds 2014 prijken op diverse plaatsen in en om het centrum van Schijndel in het plaveisel diverse attentiestenen van meestal verdwenen monumenten met een korte historische omschrijving. Onlangs is besloten de historische context van die gebouwen ook te publiceren in het Schijndels Weekblad, ook al zijn ze terug te vinden op de website van www.historisch-schijndel.nl die misschien niet zo snel geraadpleegd wordt. Het weekblad is net een iets ander medium om nog weer eens uitdrukkelijk bekendheid te geven aan dit stukje Schijndelse historie, zij het in een verkorte versie.
In deze aflevering : het raadhuis uit 1792 het jaar waarin de bouw was voltooid.
Van raadkamer tot raadhuis
Aanvankelijk vergaderde het schepencollege in een kamer in een van de bekende herbergen genaamd De Valk. In een van de oude schepenprotocollen uit 1662 staat immers geschreven: “in hunne raedtcaemer in de huysinge van Antonis Mijssen van der Spanck genoempt de Valck”. Rond 1717 schijnt Schijndel een eerste raadhuis gekregen te hebben, dat toen nog werd gebouwd op het kerkhof dat rondom de Servatiuskerk lag. Wij zijn niet geheel zeker van dat bouwjaar maar anno 1717 wordt in het schepenbankarchief melding gemaakt van ‘het raethuyse’.
Voor het bewaren van belangrijke documenten zoals bv. oude charters, die als bewijsstuk konden dienen, liet men een ervaren timmerman een schepenkist of protocollenkist maken met een drietal sloten. In de meeste dorpen sprak men van een ‘schepencomme’, die vaak, om brandgevaar te voorkomen, werd ondergebracht tussen de dikke muren van de kerktoren die dienst deed als gemeentetoren en ook aan de gemeente toebehoorde.
Gedurende de 18e eeuw volgden diverse reparaties o.a. het leggen van nieuwe pannen op het dak, een nieuwe planken bekleding van het torentje, vernieuwing van het klokkentouw en ook het schilderwerk werd aangepakt. In 1771 werden alle muren nog eens opnieuw bezet, werden nieuwe schuiframen aangebracht en om het ‘swieren van den toorn’ te voorkomen werd die extra verstevigd en zelfs versierd met een sierlijke knop en een vaantje dat in alle windrichtingen zou gaan draaien.
Op een bepaald moment liet men nog eens een grondige inspectie uitvoeren en langzaam maar zeker kwam men toch tot de conclusie dat een nieuw raadhuis geen overbodige luxe zou zijn.
Bouw van een nieuw raadhuis
In 1791 beraamde het bestuurscollege plannen in die richting. Het zou een gebouw moeten worden dat kon voldoen aan de eisen des tijds. Maar ja…..hoe kom je aan de nodige pecunia? Verkoop van percelen gemeentegrond bleek uitkomst te bieden. Landmeter Walter van Erven werd ingehuurd om 37 percelen in te meten en de verkoop bracht 4000 gl. op voldoende om de bouw publiek aan te besteden.
Als locatie werd gekozen een perceel gelegen tussen het huis van de weduwe van Peter van de Ven en het erf van herbergierster de weduwe van Joost van de Ven ofwel herberg de Zwaan. Aan architect Piet van Rooij uit Sint Michielsgestel werd verzocht een bestek te schrijven, schetstekeningen te ontwerpen en een begroting aan te leveren. Hij schreef een bestek van in totaal maar liefst 42 artikelen.
Na goedkeuring werd het werk op 15 januari 1791 aanbesteed, aannemer werd Nicolaas van Sonsbeek uit Oijen en de eerste steen werd gelegd op 1 april 1791. Het klokje in het torentje kwam, hoe kan het ook anders, van de firma Petit uit Aarle Rixtel nadat het oude klokje was omgesmolten. In 1823 volgden alweer de nodige aanpassingen en verbeteringen, aangenomen door Hendrikus van Dussen uit Boxtel en de Schijndelse timmerman Gijsbert van Rooij. Een bekende historieschrijver noemde het Schijndelse raadhuis ‘het schoonste van de Meyery’
Uitbreiding van het gebouw in 1914
Ruim 90 jaren later volgde wederom een grootscheepse metamorfose en uitbreiding waarvoor grond werd aangekocht van slager Eijmbert van Rooij..
In de raadsvergadering van 30 juni 1913 immers werd een belangrijke beslissing genomen nl. tot het overgaan van de vergroting van het bestaande raadhuis. Aan J.Heijkants uit Erp gaf men opdracht een ontwerp te maken en een bestek uit te werken. Op 19 februari 1914 stuurde Heijkants zijn plan in en daarop volgde op de 26e de openbare inschrijving. Maar liefst 18 gegadigden meldden zich, waaronder twee aannemers uit Schijndel zelf nl. J.H. van den Boomen die het werk zou realiseren voor een bedrag van f 18.999. Aannemer Adr. van den Oetelaar bood f 16.450 en kreeg de opdracht tot uitvoering van het werk.
Van ca. 119 m² moest het raadhuis vergroot worden tot 256 m². Het vertrek achter de burgemeesterskamer, waar toen het kadaster was ondergebracht, werd na de verbouwing bestemd als bodekamer. Was in het bestaande gedeelte slechts één cel die na de verbouwing als slaapplaats voor zwervers en daklozen werd ingericht, nu werden er drie cellen voor arrestanten bijgebouwd en nog twee afzonderlijke slaapplaatsen en een flinke bergplaats. De toiletten verhuisden van beneden naar boven, op het einde van de zijgang. De nieuwe bovenverdieping werd voor het grootste gedeelte benut als raadzaal met publieke tribune, een kamer voor het kadaster en een behoorlijk archieflokaal, welke ruimte tevens werd gebruikt voor huwelijksvoltrekkingen. Op het nieuwe gedeelte werd een plat dak gelegd. De dakpannen van het oude gebouw werden vervangen door leien.
De opdracht voor Van den Oetelaar was om het werk vóór 15 augustus 1914 voltooid te hebben. Toch bleek men rond de jaren ’30 een nijpend tekort te hebben aan administratieruimte. Op dat moment besloot men de brandspuiten elders onder te brengen en in het vrijkomende deel een afzonderlijk bureau in te richten voor de behandeling van de werkeloosheidsperikelen, want de werkloosheid was groot in die dagen. Later zou ook de raadzaal nog gesplitst worden zodat een aparte secretariskamer gecreëerd kon worden. In 1941, dus enige jaren voor de definitieve verwoesting van het gebouw, werd nog centrale verwarming aangelegd.
Daarna volgden die dramatische beschietingen tijdens de granaatweken [17 september-23 oktober 1944] en zagen de Schijndelnaren na WO II de puinhopen van een zwaar beschadigd raadhuis dat uiteindelijk gesloopt zou moeten worden. Bovendien was helaas veel waardevol archiefmateriaal verloren gegaan. Het verlies van dit zeer fraaie gemeentehuis heeft destijds gegarandeerd bij de bevolking de nodige emoties losgemaakt.
Voor veel meer informatie: zie www.historisch-schijndel.nl, diverse artikelen die destijds zijn verschenen in de Schijndelse Courant geschreven door oud-archivaris Ad van Bokhoven, het boek ‘Het Schijndels landschap’ [uitgave 2003] pag.203 e.v., www.henkbeijersarchiefcollectie.nl trefwoord: digitale inventaris van het heemkamerarchief
Oorspronkelijke publicatiedatum: 23 juli 2015 (nr. 76)