Van 2006 tot 2017 schreef Henk Beijers als coördinator van de historische werkgroep van de Heemkundekring Schijndel de rubriek 'Historische nieuwtjes' voor het Schijndels Weekblad. Daarin bracht hij zijn lezers op de hoogte van bijzondere archiefstukken die nieuw licht werpen op de geschiedenis van Schijndel.
De schuurkerk opnieuw gesloten
In een van de vorige afleveringen is al eens aangehaald dat men na de Vrede van Münster in 1648 tot aan de Napoleontische tijd van hogerhand continu ijvert om de nieuwe gereformeerde religie serieus ingevoerd te krijgen in het katholieke Brabant. In dat verband zijn toen enkele hele belangrijke maatregelen genomen nl. de sluiting van de katholieke kerken en kapellen in de Meierij van ’s-Hertogenbosch, het verjagen van alle geestelijken uit deze regio, een verbod op vaandels, processies, bedevaarten m.a.w. allerlei godsdienstige praktijken die in het openbaar plaatsvinden worden niet getolereerd en tegelijkertijd benoemt men in principe op alle belangrijke politieke posten protestanten.
Priesters die inmiddels elders wonen en toch graag hun familie in de meierij willen bezoeken, hun ouders willen ondersteunen tijdens hun laatste levensdagen of zakelijke belangen te behartigen hadden, worden slechts voor duidelijk omschreven perioden toegelaten, mits ze zich melden bij de hoogschout van ’s-Hertogenbosch, zich punctueel houden aan de inhoud van de landsplakkaten en in het openbaar geen godsdienstige bijeenkomsten organiseren of vieringen doen. De inzet van protestanten op posten als schoolmeesters, secretarissen, schepenen, vorsters, notarissen e.d. lukt maar mondjesmaat, eenvoudigweg omdat er in heel veel dorpen slechts een handjevol woont en bovendien….niet iedereen blijkt geschikt!
Aan de katholieken wordt toegestaan hun godsdienstoefeningen te houden in zgn. schuurkerken, maar onder conditie dat men geen hinderpaal is voor de protestanten in het dorp, die ook graag hun diensten willen houden. Nauwlettend wordt er in die tijd op toegezien dat iedereen zich stipt houdt aan de van hogerhand gepubliceerde plakkaten. Het botst overigens nogal eens tussen beide groeperingen en zowel aan de zijde van de katholieken als die van de protestanten gebeuren van tijd tot tijd ontoelaatbare praktijken, die men in officiële stukken met de term ‘insolenties of stoutigheden’ aanduidt. Ook binnen Schijndel leeft men niet altijd even vreedzaam naast elkaar met het gevolg dat de schuurkerk weer eens op last van de overheid wordt gesloten.
Smeekschrift van pastoor Silvester Ideleth
In 1750 kent de Servatiusparochie naast de uit Someren afkomstige pastoor Ideleth ook een zekere Wilhelmus Beekmans als kapelaan. Wat er in hun functioneren in detail allemaal fout gelopen is wordt niet uitdrukkelijk vermeld, maar in algemene bewoordingen beschuldigt men de roomse geestelijkheid ervan en vooral kapelaan Beekmans, dat te Schijndel ‘gansch strafbare buitensporigheeden’ zijn begaan aan personen van de gereformeerde religie, hun huizen en zelfs ‘hun kerk’ zou het hebben moeten ontgelden.
Men heeft daar tot overmaat van ramp in het portaal een houtje gevonden in de vorm van een kruisje of molentje en de kapelaan staat inmiddels bij de protestanten bekend als iemand die discussies met de predikant uitlokt en zelfs bedreigingen uit, wat een katholiek priester niet betaamt, vindt men aan gereformeerde zijde. Er wordt nog eens extra aan toegevoegd, dat de stoutigheden dusdanige vormen aannemen dat ze ondraaglijk worden voor de ‘slachtoffers’. Een aanklacht met natuurlijk ver strekkende gevolgen, zeker in die tijd. Men wil op een adequate wijze ingrijpen en duidelijk stelling nemen tegen deze praktijken dus…. vorster Rijsterborg wordt gelast het Schijndelse ‘kerkenhuis’ te sluiten en tot nader order te verzegelen.
Logisch dat pastoor Ideleth, samen met zijn kerkmeester Jan Adriaan Verhagen en Corstiaan Corstiaan Verhagen een verzoekschrift indient bij de Staten Generaal en alles in het werk stelt om de schuurkerk weer heropend te krijgen. Voorlopig krijgt men nul op het rekest. Alle begane stoutigheden zullen eerst eens grondig worden onderzocht. Inmiddels heeft de Staten Generaal de nodige informatie doorgekregen van de hoogschout van ’s-Hertogenbosch. Op basis van diens relaas besluit men om de mening te vragen van de Raad van State, het belangrijkste adviesorgaan van de Staten Generaal, die uiteindelijk besluit [16 maart 1752] dat de kerk weer open mag en de pastoor zijn pastorale functies kan hervatten. Hem wordt echter nog eens krachtdadig voorgehouden, dat hij zich dan wel dient te houden aan zijn schriftelijke beloften, zodat er zich in de toekomst totaal geen klachten meer voordoen.
[Bron: Resoluties van de Staten Generaal 1750-1752 – BHIC inv.nr.89 – bewerking mw. Pauline Heessels – van Maaren]
Dorpsschool van Eerde
Over de scholen is in de 17e eeuw heel wat te doen geweest. Vaak zijn het armzalige optrekjes waarin de jeugd wordt onderwezen. Heel veel klandizie hebben de protestantse schoolmeesters over het algemeen niet en de roomsgezinde of ‘paapse’ schoolmeesters worden op in de Meierij zoveel mogelijk geweerd.. Sommige gehuchten op het platteland komen echter danig in de problemen omdat hun kinderen ver van de ‘bewoonde wereld’ af wonen.
Zie hier het verhaal van de inwoners van Eerde, die hun kinderen naar drie verschillende plaatsen naar school konden sturen, maar die dagelijkse voettocht blijkt niet altijd een pretje. Men bundelt de krachten en de Eerdse ingezetenen trekken de stoute schoenen aan. Adriaen Janssen Coppens de mulder [50 jaar oud], Aelbert Jan Dircx [50], Gerit Jan Simons [35], Michiel Michielssen Houbraecken [37] inwoners van Eerde aan de Rooise kant, Geerling Janssen van Gruenendael [67], Jan Ariens Verlocht [54], Gerit Janssen Verweteringhe [45], Jan Aertssen Verhaegen [40] aan de Veghelse kant, Denis Jan Denissen van der Meulen [70], Huybert Handrickx van der Duynen [54], Jan Huybert Spierincx [39], Jacop Peters [40], aan de Schijndelse kant, leggen een gezamenlijke verklaring af.
Huybert van Bree, hun ‘paapse’ schoolmeester, die overigens ook naast het schoolmeesterschap ook een notariaat bedient, heeft hen sterk gestimuleerd om een grondige klacht in te dienen, in de hoop dat men een eigen schooltje zou kunnen krijgen van de Staten-Generaal. Men beschouwt het gehucht of de hertgang Eerde als ‘eenen affgeseten hoeck van dry dorpen’, bestaande uit een groot aantal huizen, ressorterende onder drie dingbanken of rechtbanken. Het gehucht omvat een serie huizen met in het midden een eigen kapel. Die ligt overigens meer dan een uur gaans van de parochiekerken en bovendien kampt men er met ‘eenen ongemackelycken kerckwech ende schoolwech’ naar alle richtingen. In die kapel heeft men tot aan de val van ’s-Hertogenbosch in 1629 altijd dienst gedaan en er is ook een schooltje in gevestigd geweest. Men is daarin nooit gehinderd door de omliggende dorpen.
Na het sluiten van kerken en kapellen in de Meierij van ’s-Hertogenbosch is de situatie er niet beter op geworden. De inwoners van Eerde hebben er schoon genoeg van om hun kinderen ‘over die verre vuyle ende ongelegen wegen ter schoole te senden’. Ze pleiten ervoor om hun kapel of een bijgebouwtje ervan weer als school te mogen gebruiken, want hun kinderen laten opgroeien zonder onderwijs verkiezen ze ook niet. Ze willen onder geen beding dat de Eerdse jeugd gedoemd is ongeletterd en ‘in ongeleerdheijt op te wassen’[= op te groeien]. Op 25 januari 1661 sturen ze een rekest of verzoekschrift in naar de Staten-Generaal.
[Bron: archief van notaris Jan van den Heuvel inv.nr.14 pag. 141 verso – bewerking Henk Beijers]
Oorspronkelijke publicatiedatum: 16 mei 2007 (nr. 8)
