Van 2006 tot 2017 schreef Henk Beijers als coördinator van de historische werkgroep van de Heemkundekring Schijndel de rubriek 'Historische nieuwtjes' voor het Schijndels Weekblad. Daarin bracht hij zijn lezers op de hoogte van bijzondere archiefstukken die nieuw licht werpen op de geschiedenis van Schijndel.
Cipier in tucht- of werkhuis
We blijven nog even bij de nagelaten collectie van Jet Geerkens. Daar treffen we een interessante instructie aan. Van de gearresteerden uit de Meierij zijn er aardig wat doorverwezen naar het in ’s-Hertogenbosch gebouwde tuchthuis. We verplaatsen ons even naar 1808 en zien dan hoe er een officiële instructie is geschreven voor de cipier ter plaatse. Die instructie geeft een gedetailleerd inzicht in de zorg voor Meierijse gedetineerden.
In 28 artikelen kan men lezen welke eisen gesteld worden aan deze functionaris. Menige Schijndelaar die een behoorlijke scheve schaats heeft gereden in die periode zal aan zijn zorg zijn toevertrouwd geweest. Voor onderstaande beschrijving hebben we de artikelen bekeken op hoofdzaken.
In deze functie zoekt men in die dagen iemand van een onberispelijk gedrag, ongehuwd en minimaal 30 jaren oud. Hij heeft zich te richten naar de orders van de hoogschout van stad en meierij en ten slotte de hoge vierschaar, die zetelt in het Bossche stadhuis. Ook heeft hij te gehoorzamen aan de Bossche regenten, de directeur van de instelling en de boekhouder. Hij wordt belast met het toezicht, de zorg en de bewaring van alle criminelen en de zgn. ‘tuchtelingen’ en andere gegijzelden die in detentie zitten.

Op het moment dat een gevangene wordt binnengebracht krijgt hij een biljet uitgereikt met daarop zijn naam, woonplaats en de reden van zijn detentie en alles wordt ingeschreven in een apart register. De bedoeling is dat elke drie maanden dit register wordt voorgelegd aan de Bossche regenten. De kleding van de binnengebrachte delinquenten zal de cipier in bewaring nemen en hiervan aantekening houden. Om de drie of vier weken dient hij, na reiniging van het gevangenisvertrek, het stro van de strozakken te vernieuwen. Mocht hij bij de uitoefening van zijn functie assistentie nodig hebben van enige hellebaardiers dan kan hij dit bij de directeur van de instelling kenbaar maken.
Zonder speciale goedkeuring van de hoogschout mogen de gedetineerden geen messen, ijzer of andere instrumenten onder beheer hebben, een maatregel om uitbreken te voorkomen. Zowel ’s morgens als ’s avonds maakt hij met de directeur de ronde door het tuchthuis daarbij lettend of er iemand iets in het schild voort zoals bv. iets uitgraven, complotten die gesmeed worden e.d. men dient die onverwijld aan de hoogschout en aan de president van de hoge vierschaar gemeld moeten worden. Als de hoogschout hem opdraagt een gevangene in de ‘kluisters of boeien te slaan’ dient dit onmiddellijk te worden uitgevoerd.
Met gevangenen spreken over hun proces is ten strengste verboden. Hij mag de gevangenen geen ander voedsel verstrekken dan de portie die door de directie wordt vastgesteld. Ingeval van ziekte of bedlegerigheid van een gevangene dient hij dit direct te melden aan de hoogschout in verband met verpleging en verzorging. Gevangenen kwalijk bejegenen of tegen hen schelden is uit den boze. De cipier krijgt binnen het tuchthuis een eigen vertrek met een meubel waarin hij zijn documenten en registers kan bewaren. Zijn jaartraktement is vastgesteld op f 225,-. De eedsaflegging geschiedt ten overstaan van de hoge vierschaar die wordt afgesloten met de bede ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig”. Actum ’s-Hertogenbosch 13 februari 1808 ondertekend door landdrost C.E. de la Court.
De oude omgeving van de Kluis
Een notariële akte verleden voor notaris van Beverwijk de dato 27 februari 1810 [sprokkelmaand] geeft ons enig inzicht in de vroegere groenvoorziening en landschappelijke situatie rondom de Kluis, althans voor wat betreft het aantal lindebomen dat daar gestaan moet hebben. Geen gemeentelijk bezit maar bomen toebehorende aan het RK Kerkgenootschap. Het zijn dan ook niemand minder dan de vicaris-generaal van het bisdom Anthonis van Alphen, de pastoor van de Servatiusparochie en met hen Arnoldus Lambert van Soggel, Johannis Bartel Schevers, Johannes Peters van de Ven en Adriaan Antony Vugts als kerkmeesters.
In de omliggende dorpen heeft men een publicatie laten uitgaan dat er een ‘schoone partheij lindebomen staande en wassende binnen dezen dorpe ter plaatschen genaamt in de Kluis’ en ook nog een serie eikenbomen staande voor het ‘Kerkeland in de Beemd’. Daarop volgen keurig netjes de verkoopcondities. Wie de akte analyseert ontdekt dat het in werkelijkheid in de Kluis gaat om de volgende aantallen: 11 kopen met een totaal van 26 lindebomen en 1 abeel en op het Kerkeland gaan 10 eikenbomen in de verkoop. De situatie in de Kluis correspondeert exact met een akte uit het parochie-archief n.a.v. de daar vroeger gelegen brandkuil waarin ook over dat aantal lindebomen wordt gesproken. Het geheel brengt ruim f 300, - op.
Een nog onopgeloste vraag is…..sinds hoe lang beschikt het kerkbestuur van de in 1810 door de hervormden teruggegeven Servatiuskerk juist op die plaats al over die serie lindebomen? Wat is er nog terug te vinden over dat eigendomsrecht? Onder de kopers van de linden vinden we Johannes Eijmbert Verhagen, Jan Piet van der Spank, Gerit Christ Timmers, Eimbert Johannis van der Linden, Willem Bennings [mogelijk Pennings bedoeld], Willem Marcelis van Gestel, Gerit Andries Verhagen, Andries Piet van der Spank, Johannes Bartel Schevers en Leonardus van der Stappen. Misschien herkent iemand hierin nog zijn betovergrootvader!
[Bron: beide akten zijn te raadplegen in het heemkamerarchief onder de collectie Jet Geerkens, doos 3; zie ook Wiro Heesters ‘Historische verkenningen' [1984] op pag.144]
Oorspronkelijke publicatiedatum: 2008/2009 (nr. 21)
