Op het platteland had vroeger iedereen vóór het huis een bloementuintje. Achter de woning werden de groenten geteeld. Tegenwoordig is de voortuin uitgebreid met een gazon en soms is een groot deel gereserveerd voor de inrit naar de garage van ons vervoermiddel. Voor het telen van groente huurt men een volkstuin.


Wanneer er achter het huis voldoende ruimte was, teelde men de groenten voor ‘wat de pot ons schaft’, de verse warme maaltijd, of voor de inmaak ten behoeve van de komende maanden. In onze ‘Hof’ kwamen daar in de veertiger jaren tomaten, witlof en houwkes bij, zoals Moeke ze noemde.
In de groentewinkel zocht ik later naar die houwkes en vond ze onder de benaming ‘peultjes’. Ik vermoedde dat het woord houwkes Udens dialect was. Thuis werd alleen boeres gesproken. Het was daardoor moeilijk op school beschaafd Nederlands te spreken, het is toch je moedertaal.
Bij een van m’n IVN-wandelingen gaf de natuurgids een duidelijk antwoord op de woordspeling. Een hauw (opent in een nieuw tabblad) heeft in de zaaddoos overlangs een vliezig tussenschot. Daaruit begreep ik dat onze houwkes niet tot de familie van de hauw, maar tot die van de peulen behoren. Het was verkeerd doorgegeven en daarmee waren m’n lange jaren van discussies voorbij.
Na het plukken van de peulen werden ze ‘gerengd’, dat is ontdaan van de puntjes en draadjes die aan de naden van boven- en onderzijde zitten. Deze handeling, die in het Nederlands ‘rangen’ wordt genoemd, is tegenwoordig overbodig. Thuis werden in ‘den Hof’ peulvruchten geteeld, zoals tuinbonen; staak- of snijbonen; prinsessen-, breek- of sperziebonen; boterbonen; witte of bruine bonen en erwten. Peultjes waren een delicatesse voor mijn vrouw.
![]() | ![]() Koolzaad en Judaspenning |

Ik ging op zoek naar een Hauwsoort en vond die al dicht bij huis: Koolzaad en Judaspenning. Laatstgenoemde bloeit in het voorjaar paars. Na de bloei vormt deze plant een eivormige zaaddoos. Het tussenschot is dun vliezig, de zaden zitten aan het buitenschot gekleefd. Met tegenlicht kun je het aantal zaden in de zaaddoos tellen.
Ik zie het als muntgeld, opgeborgen in een doorzichtige geldbuidel. Judaspenning wordt als droogbloem in boeketten verwerkt. De benaming Judaspenning en Zilverlingen wijzen op de beloning die Judas ontving na het verraad van Christus.
Op een perceel ’Achter het Retraitehuis’ waren aardappelen gepoot. In de oogsttijd hoorden we tijdens het rapen het geluid van de openspringende zaaddozen van de brem uit de nabij gelegen heide ‘Het Buske.’
Op de afbeeldingen van geopende zaaddozen van drie plantsoorten is het verschil duidelijk zichtbaar tussen een hauw en peul. Bij de Judaspenning en de peul rest de stamper, overgebleven na de bloei. Bij de geopende peul, zonder tussenschot, zitten de zaden als een ritssluiting aan de schilden vast.
Ik ben heel benieuwd of er onder de lezers vroeger thuis ook de benaming’ werd gebruikt? Opvallend: op de LTS droeg onze theorieleraar de achternaam 'Peulen'.




