“Je mag woensdagmiddag gaan vliegeren jongen, als je vandaag en morgen als je uit school komt eerst met de andere kinderen rogge-aren gaat sprokkelen voor de kippen. Dan zal ik zorgen, als je uit school komt, dat alles klaarligt.” Dit was net na de oorlog en het voer hadden we hard nodig.
We kwamen thuis en de klompen en een oude broek lagen klaar. Met op de broodplak voor ieder een snee brood en een glas karnemelk. Op de put lag een sprokkelzak, gemaakt van een oude schort van ons moeder die ze omhooggeslagen had en aan de zijkanten dichtgenaaid; hier kon lekker veel in, en ernaast nog twee juten zakken.

Met zijn drieën gingen we er op uit. Bij het roggeveld aangekomen kreeg ik een lach op mijn gezicht. De boer had niet de moeite gedaan om de zijkanten en de hoeken met de hand voor te maaien met de zicht (een kleine korte zeis); hij was met zijn machine zó langs de kant door de rog gereden. Hierdoor konden we de aren zó van het stro afritsen. En in de hoeken stond de rog nog recht. Dat was nog makkelijker plukken, want hier hoefden we niet krom en dat scheelde ons veel in tijd. We hadden onze sprokkelzak en onze juten zakken barstens vol zitten binnen het uur!
Thuis aangekomen kregen we een pluim voor zoveel rogge-aren, maar ook met de mededeling: “Dan wil ik morgen wel eens zien hoeveel aren je ook morgen nog mee van het veld naar huis brengt!”

Dat viel ook niet tegen en ik had nog tijd over om alvast een paar kranten bij de buren te gaan vragen en vliegerlatjes en touw te verzamelen. Het geraamte was zo gemaakt en de kranten op maat geknipt. Omdat ik zo goed gewerkt had mocht ik na het eten de vlieger nog plakken met de Brintapap die ik voor het eten aangemaakt had. Het plakken was goed gelukt; het papier stond mooi strak, hij kon nu nog een nachtje drogen en woensdagmiddag de lucht in.
Twee vrienden van school zouden meehelpen en nadat we hem goed afgesteld hadden en genoeg gewicht aan de staart schoot hij de lucht in, maar hij was nog niet stabiel genoeg, er moest nog een plukje gras aan de staart bij gebonden worden. Dus haalden we hem weer naar beneden.
Dat kleine plukje gras scheelde; in een ommezien tijd stond hij fier in de lucht op het eind van het touw! Hoog in de lucht stond hij te schitteren, zo ver weg van ons vandaan. We zaten met zijn allen op de rand van een waterput te kijken. André, de jongste van ons stel, kwam met een vraag: “Jullie weten dat even geleden mijn oma gestorven is; mag ik daar een briefje heen sturen? Ik heb het hier in mijn borstzak zitten.” Het was geen gewoon briefje, maar een rondje van twee schijfjes zilverpapier en ertussen het papiertje met de tekst: Je ziet dat ik je niet vergeten ben oma, je André. Na met een mesje een gaatje in de schijfjes te hebben gepriemd en aan het uiteinde door het touw te hebben geregen, ging het briefje, na een zetje te hebben gekregen, als een speer de lucht in en alsmaar hoger en hoger. Wat een mooi gezicht was dat, net een ster als de zon erop scheen! Dit was een onvergetelijke middag, op school spraken ze er nog over; velen hadden onze vlieger gezien.
Maar mijn moeder had ook niet stilgezeten, ze had de aren in een grote meelzak gedaan en was ermee naar het houthok gelopen, waar een gatend van een boom stond als hakblok, en eens flink op de zak staan dorsen met een stevige stok. Het resultaat was, na het gezeefd te hebben, een overvolle grote emmer rog voor de kippen!
Nee, het dorsen van koren was mijn moeder nog niet verleerd!
