Soms lijkt het of je iemand al je hele leven kent, terwijl je hem of haar nog nooit hebt ontmoet. Zo iemand was Joost Prinsen voor mij, realiseerde ik me toen ik het bericht las over zijn overlijden eerder deze maand. Van Erik Engerd tot J.J. de Bom tot Met het mes op tafel: door de jaren heen dook hij in steeds weer andere gedaanten en vermommingen op. Als koetsier Jan Toereloer bijvoorbeeld in de TV-serie De Zevensprong. Eigenlijk maar een kleine rol, maar wel een die diepe indruk maakte op mij als veertienjarige.

Al mijmerend bedacht ik me dat mijn collega Gerard een tijdje geleden bij het inventariseren van een nieuw binnengekomen archief op de naam Joost Prinsen was gestuit.
Het archief Smit
Enige tijd geleden verwierf het BHIC het persoonlijke archief van J.P.W.A. Smit (1883-1972), rijksarchivaris in de provincie Noord-Brabant van 1944 tot 1949. Smit was op vele vlakken actief en bewaarde heel veel materiaal met betrekking tot die activiteiten. Zo was hij lange tijd lid van het curatorium van het Stedelijk Gymnasium van ’s-Hertogenbosch, van 1946 tot 1965 als president-curator. In stukken uit die periode komen we de naam van Joost Prinsen een enkele maal tegen.
In de schoolbanken
Als zoveel katholieke jongens in de jaren vijftig van de vorige eeuw werd Joost Prinsen, in 1942 in Vught geboren, voor zijn middelbare schoolopleiding ‘op kostschool’ gestuurd, naar het internaat van het Bisschoppelijk College in Weert. Prinsen lijkt het daar betrekkelijk goed naar zijn zin te hebben gehad. In een aflevering van Andere tijden vertelt hij: ‘Als je graag leerde dan was zo’n kostschool niet de slechtste plek om te wezen. Want daar was natuurlijk een hoop kennis verzameld op één plek. En die plek was voortdurend ter beschikking, dus die kennis ook.’ In ieder geval komt daar zijn liefde voor taal en toneel tot bloei: hij neemt deel aan declamatiewedstrijden, is actief bij de toneelclub.
In 1958 komt hier echter abrupt een einde aan. De precieze toedracht is mij niet duidelijk – er is sprake van een grap over de rector die fout viel – maar zoveel is zeker: Prinsen is niet meer te handhaven en vertrekt noodgedwongen uit Weert. Weg uit het voor hem misschien toch wel verstikkende roomse milieu? Wat er zich daarna in huize Prinsen heeft afgespeeld is onduidelijk, maar in 1960 zien we Joost terug op een openbare school, in de vijfde klas van het Stedelijk Gymnasium in ’s-Hertogenbosch.
Na in 1963 zijn diploma te hebben behaald gaat Prinsen in dienst, waar hij de kans grijpt om artistiek bezig te zijn: als lid van een soldatenrevue vermaakt hij de troepen. Na de toneelschool in Amsterdam volgt een glansrijke carrière op toneel en op TV. Een carrière die overigens begon in het natuurtheater De Kersouwe in Heeswijk, waar hij in 1965 schitterde als korporaal Schatta in De Kaukasische Krijtkring van Berthold Brecht.
Op het Stedelijk Gymnasium
Terug naar ’s-Hertogenbosch. Na de nodige strubbelingen begint de inmiddels achttienjarige Joost Prinsen daar in het najaar van 1960 aan de vijfde klas van het Stedelijk Gymnasium. Tussen de stukken van curator Smit is het eindrapport van het cursusjaar 1961-1962 bewaard gebleven, met per leerling de cijferlijst. Ook die van Prinsen (de overige namen zijn om reden van privacy geanonimiseerd):

Een lijst met alleen voldoendes, met als hoogste cijfer een 7+ voor – inderdaad, het was te verwachten – Nederlands. Hiermee was hij toegelaten tot de eindexamenklas en in juni 1963 behaalde J. Prinsen te Vught dan ook zijn diploma gymnasium-A.
Prinsen mocht dan niet echt uitblinken in de schoolvakken – ‘Ik had genoeg hersens om het eindexamen te halen, maar niet genoeg om het zonder vlijt te doen’ zei hij er zelf over – met zijn voorliefde voor taal en toneel deed hij dat wel. Zo won hij in maart 1963 al voor de tweede keer op rij de stadsprijs bij de voordrachtwedstrijd voor de Bossche scholen, georganiseerd door Rederijkerskamer Moyses Bosch.



Actief was hij bovendien bij de toneelclub van het gymnasium. In het schooljaar 1960-1961 bracht die Minna von Barnhelm ten tonele, een blijspel van de Duitse schrijver G.E. Lessing, dat jaar door de 5e klas vertaald tijdens de lessen Duits. In het programmaboekje (overige namen geanonimiseerd) lezen we dat Prinsen ten tonele kwam als Majoor von Tellheim, ontslagen officier van het Pruisische leger en bovendien ook nog eens als Luitenant Riccaut de la Marlinière. Een dubbelrol dus, die hij ook nog eens combineerde met die van regieassistent.
Tussen de stukken van curator Smit vinden we tenslotte een laatste spoor van Prinsen: een foto (fotograaf onbekend) uit het Brabants Dagblad van 4 juli 1962. De foto met als onderschrift: de scheidende conrector Dr. L. Labordus tracteert zijn pupillen op een ijsje toont ons Joost Prinsen en enkele medeleerlingen van het Stedelijk Gymnasium in geanimeerd gesprek met hun oud-conrector.

Een laatste anoniem optreden van een man die daarna een groot deel van zijn leven in de schijnwerpers van theaters en TV-studio’s zou staan?
Bronnen
- BHIC, 2242 Familie Smit (in bewerking, niet raadpleegbaar)
- van den Oord ed., Scolae de Buscho 1274-1999 : fragmenten uit de historie van de Latijnse School van 's-Hertogenbosch ter gelegenheid van het 725-jarig bestaan met naamlijsten (Vlijmen 1999)
- Necrologieën in diverse dagbladen (Noordhollands Dagblad, NRC, Parool, De Telegraaf, Volkskrant).
- Andere Tijden: op kostschool bij de paters.
