Door de ogen van 14 kinderen – nu hoogbejaard - beschrijf ik de Tweede Wereldoorlog. Een van hen is Hanneke, die na 11 onderduikadressen in het Brabantse Eerde belandde, en die wordt teruggevonden door haar moeder dankzij één woordje: ‘houdoe’, onderaan de brief die Hanneke mocht schrijven. De plaatsnaam was eraf geknipt, want de brief kon in verkeerde handen vallen…

Op haar zesde, in 1942, weet Hanneke niet wat onderduiken is: ‘Jij gaat uit logeren,’ zegt haar moeder in Den Haag. Ze is het eerste kind dat ondergebracht wordt door de schilderes en verzetsheldin Ru Paré, die uiteindelijk 52 Joodse kinderen zal redden. Hanneke zit bij haar achterop de fiets, bovenop een schilderkist met bonkaarten en valse persoonsbewijzen. Elf keer moet ze van adres wisselen. Uiteindelijk belandt ze in het Brabantse Eerde, een gehucht van één straat tussen de weilanden. Hanneke mag daar, na jaren in kamertjes en zelfs in een kelder, weer naar school. Ze komt, met haar zwarte krullen, zogenaamd uit Soerabaja en moet de catechismus leren – om niet op te vallen.
‘Wie moeten wij beminnen?’ zo overhoort de pastoor haar. ‘Wij moeten iedereen beminnen. Behalve de moffen,’ zegt ze erachteraan – daar kan hij wel om lachen.
Als de Duitsers een pilotenlijn willen oprollen en alle deuren afgaan, slaapt Hanneke één nacht in het hondenhok. Ineen gekruld met Bruno, de hond: die vindt het best, alsof ze daar altijd ligt, zou ze nooit vergeten.
In september ’44 ziet ze ‘prachtige gekleurde ballonnen komen waar ménsen aanhangen!’ De parachutistenlanding. Market Garden. Dit keer stapt Hanneke achterop de fiets bij haar onderduikmoeder; achterstevoren, en met twee handen houdt ze de stang van de kinderwagen vast waarin haar pleegzusje, een baby, ligt. Ze belandden in een kelder in Veghel, langs Hell’s Highway. Er wordt gevochten, en het contact met de verzetsvrouw Ru Paré boven de rivieren valt weg.

Na de bevrijding heeft Hannekes moeder, ondergedoken in Limburg, geen idee waar haar inmiddels achtjarige dochter is. Maar door het woordje ‘houdoe’ weet ze dat het in Brabant moet zijn. Alle dorpen fietst ze af. Tot ze haar ziet spelen op een erf. ‘Hanneke…!’ gilt ze; en Hanneke herkent na jaren haar moeders stem. ‘Met wijd open armen komt ze op me af. Omhelst me – nú, voel ik, is de oorlog eindelijk afgelopen,’ zegt Hanneke Gelderblom Lankhout (89), nóg ontroerd.
De andere geïnterviewden uit het boek, onder wie Jan(tje) Terlouw, zagen bommen vallen of sloegen op de vlucht. Ze belandden in treinen, in kampen of in kelders. Mieke en Micha, Ria en Zoni en andere kinderen hinkelden op de appelplaats van Bergen-Belsen of maakten hun huiswerk terwijl de Japanners in aantocht waren. Ze spuugden naar Duitse soldaten of werden – als NSB-kind – uitgescholden.

‘Met de veerkracht van een kind overleefden ze; vermagerd bleven ze spelen of namen ze juist de taken van hun ouders over. Wat zagen ze, wat kregen ze mee en wie werden ze? Hoe werkt een oorlog, zelfs tachtig jaar na dato, door in een mensenleven?
Niet achterom, alleen maar vooruit kijken,’ houden zijn ouders Chaïm voor tijdens én na hun vlucht naar Zwitserland, terug in Nederland. Als ze alles kwijt zijn en opnieuw beginnen. ‘Struikel niet over de stenen die achter je liggen,’ is nog altijd zijn motto.
Kinderen in oorlogstijd van Steffie van den Oord verschijnt op 12 april bij Querido.
