Welke epidemie er in 1698 in Herpen rondwaart, weten we niet. Wel weten we dat deze ziekte snel om zich heen grijpt, en binnen drie maanden tijd 28 slachtoffers eist. Collega Arnout stuitte hierop in het begraafboek van Herpen. En hij vond het bijzondere medicijn dat werd voorgeschreven.

Het begraafboek licht een heel klein tipje van de sluier op van wat er in die maanden in Herpen moet hebben plaatsgevonden. “Alle van sieckte gestorven, kouw pijn in de sijde ende grote benauwdheijt. De sterkste menschen ook in drie, vier, vijf dagen weggeruckt. Egter alle goed bij kennis en hun verstand tot naar bij doodt.”
Dus ongeacht leeftijd en lichamelijke gesteldheid slaat deze ziekte mededogenloos toe. En het geneesmiddel dat dan wordt voorgeschreven:
“eener lepel of twee naar proportie en sterkte der persoonen, lijnsaatolie in te neemen en de daarop een halfpint warmen wijn opgesett, en daarop well gesweet der sijn der weinigh van opgekomen die van dese siecte geraackt wierden.”
Of het deze medicatie is die een eind heeft gemaakt aan deze epidemie, lijkt onwaarschijnlijk. Opmerkelijk is wel dat de ziektegolf alleen in Herpen zelf om zich heen grijpt, en verhoudingsgewijs veel dodelijke slachtoffers eist (want Herpen is een gehucht met - naar schatting - maar enkele honderden inwoners). In het nabijgelegen Schaijk en Ravenstein zijn geen pieken in het aantal overledenen te ontdekken. Van Oss en Geffen zijn geen begraafboeken bewaard gebleven van dat jaar.




