Tegen het einde van de schooltijd had meester Janssen nog een verrassing voor ons. Hij had het in de geschiedenisles al zo vaak gehad over ridders en kastelen, dat hij vond dat we maar eens naar een kasteel toe moesten gaan.
Op een mooie woensdagmiddag stelde hij voor om met de klas naar het ‘Tongelaar’ te gaan om het kasteel te bekijken. We maakten er een wandeling van, want dan konden we onderweg beter de natuur bekijken, zoals bermplanten en vogels. Natuurlijk werd ook voldoende proviand meegenomen, want het was per slot van rekening een hele onderneming.
Vanuit Beers liepen we via de Elstweg naar ‘het Bord’ en zo naar den Broekkant richting Tongelaar. Rondom het kasteel lag nog wel de gracht, maar de ophaalbrug was er niet meer. De toegang naar de binnenplaats werd afgesloten door een stel zware deuren met daarnaast een deur voor dagelijks gebruik. Via de binnenplaats bereikten we de hoofdingang van het kasteel.

De bewoner, een zekere Bartels, leidde ons rond via een aantal vertrekken. We gingen de stenen trappen op naar de verdieping. Het was daar boven overal vrij donker. Toen we de zolderverdieping opgingen, werd dat nog veel erger. Daar vonden we ook nog een nest kerkuilen.

Nadat we met de gastheer nog een paar foto’s hadden gemaakt, aanvaardden we de terugreis. Het was wel een vermoeiende, maar vooral gezellige en leerzame middag geworden.
Uit: H.S. Ebben, De eerste vijfentwintig jaar van mijn leven in Beers aan de Maas (2010)
