De herinneringstafereeltjes uit mijn kinderparadijsje, aangevuld met wat mijn oren mochten horen over de boze buitenwereld, zullen in een serie worden verteld.
Een jeugdherinnering
Winter 1939. Lage zon schijnt een balk licht naar binnen. De houten roede in de onderzijde van het raamgordijn met franjes is ongeveer haaks gedraaid en steunt in een hoek van de omlijsting bij een van de rij onderste ruitjes ergens in het midden van het raam. Opa zit in die balk licht en in zijn rieten stoel achter de bijna manshoge gietijzeren café-kachel.
Bijzondere kachel

Een heel bijzondere kachel naar later bleek. Op een vierkante sokkel met vier gekrulde poten rust een conische ring, waarop men heerlijk de voeten kon warmen. Daarop een cylindrische buis met aan de voorzijde op ellebooghoogte een deurtje met verschuifbare glanzende messing knop. Op schouderhoogte aan de achterzijde een bijna horizontaal lopende kachelpijp met om de paar meter een verticale staaf tussen vloer en pijp ter ondersteuning. Boven op de kachel, wel ca 30 cm boven de aansluiting van de kachelpijp een plat deksel met twee sierlijke handgrepen: twee dunne staven die evenwijdig verticaal aan de rand van het deksel bevestigd waren en wel 40 cm hoger beiden een naar buiten gerichte bocht maakten van exact een halve cirkel. Beide naar beneden gerichte einden waren versierd met een glanzende messing knop.
Waarom deze overbodig lijkende gedetailleerde beschrijving uit mijn prille jeugd? Welnu, omdat ik op latere leeftijd iets unieks aan deze kachel ontdekte: men kon die bijstoken, zonder dat er een wolkje rook of vonkje in de kamer terecht kwam!

Ik zag weer in gedachten door het openstaande deurtje (kleiner dan het kachelpijpgat!) hoe vonken en vlammen door het rookgat van de pijp opgezogen werden, terwijl de bovenkant van de kachel helemaal open was, bijna meteen nadat opa het kacheldeksel met beide handen aan de kromming van de grepen opgetild had en behoedzaam op het kachelpijp-plateautje gezet had. Bovenin dat gapend grote gat gooide hij telkens afgekeurde duigen, afzaagsels van bodemstukken (plankjes waaruit een cirkelsegment gezaagd was) en ook armdik gekloofd bovenhout van soms wel bijna een meter lang. Tijdens het bijstoken rakelde hij wel eens met zo’n lang stuk wat in het hout dat in of boven het gloeiend vuurbed onder op het rooster niet goed terecht gekomen was.

Café
Eens, lang voor ik geboren werd, toen Opoe nog leefde, warmden cafébezoekers hier hun verkleumde ledenmaten en speciaal hun voeten aan de warme conische ring. Ze dreef hier in deze grote kamer de herberg en in de opkamer stond het biljart. Daar werd ook toneel gespeeld.
