Constantinus Willem Vermeulen is geboren op 28 april 1879 en is opgegroeid op de Voorheide te Oosterhout. Volgens het gevangenisregister is hij 1.85 meter lang, heeft hij donkerblond haar en blauwe ogen. Constantinus is geen lieverdje. Al op 11-jarige leeftijd staat hij terecht voor stroperij. Hij krijgt hiervoor 1 dag hechtenis. Op 13-jarige leeftijd is hij opgepakt voor diefstal van dorre dennenboompjes. Wederom krijgt hij 1 dag hechtenis.

Constantinus trouwt op 30 september 1899 met Johanna de Rooij. Zij was op 1 augustus 1899 moeder geworden van dochter Pietronella. Dit kind wordt door Constantinus erkend bij hun huwelijk.
Het gezin woont dan op de Eikdijk te Oosterhout. (Later werd de Eikdijk hernoemd tot Secretaris Lukwelstraat).
Op 27 oktober 1899 pleegt Constantinus wederom diefstal van boompjes en krijgt hiervoor een boete van 3 gulden (bij niet betalen 2 dagen hechtenis).
In april 1900 moet Constantinus voorkomen voor huisvredebreuk. Willem van Mook had een bierhuis in zijn woning op de Voorheide. Constantinus kwam dronken binnen met een vriend en zij wilden drank. Willem weigerde en verzocht hen te vertrekken. Maar zij vertrokken niet, waarop zij werden aangeklaagd. Het tweetal wordt echter vrijgesproken omdat het een openbare gelegenheid was en, daardoor, het "binnendringen van een woonhuis" niet geldt volgens het Wetboek van Strafrecht.
Op 9 augustus 1900 bevalt zijn vrouw van zoon Johannes.
Op 23 september 1900 bezoekt Constantinus het bierhuis van Cornelis van Vugt op de Voorheide en zoekt ruzie met Cornelis. Constantinus slaat hem met een stok. Hij bekent en krijgt hiervoor 5 dagen cel.
Op 3 november 1901 wordt hij voor de derde keer vader. Dochter Hendrika wordt geboren.
Op 1 januari 1902 is Constantinus met vrienden in het bierhuis van Paulus van Vugt, oftewel 'de Liereman', op de Voorheide. Het groepje krijgt ruzie over geld met Chretien Louis Hüpsel - geboren op 31 maart 1861 te Altenwedel Duitsland en kermisklant van beroep. Volgens het gevangenisregister is hij 1.72 meter lang en heeft hij donkerblond haar en bruine ogen. Hij loopt moeilijk en mist de wijsvinger van zijn linkerhand. Op 3 december 1901 is hij met zijn vrouw in Oosterhout komen wonen in de voormalige woning van Constantinus en zijn gezin op de Eikdijk. Het groepje smijt Chretien hardhandig het bierhuis uit.
Thuisgekomen merkt Chretien dat hij zijn portemonnee kwijt is, doordat het zakje van zijn jas was gescheurd. Hij keerde terug naar het bierhuis om de portemonnee op te halen en nam een sikkel mee ter bescherming. Hij wordt daar nog gewaarschuwd: "Pas op, want ze doen hier een moord voor een stuiver".
Op de terugweg naar huis komt Chretien het groepje wéér tegen. Hij wordt met stokken geslagen, slaat in het wilde weg om zich heen en treft Constantinus met de sikkel in zijn long, die daaraan ter plekke overlijdt.
Chretien vlucht de bossen in maar keert daarna terug naar huis. De brigadier wacht hem daar op. Het volk dat zich bij zijn huis had verzameld eist dat de brigadier hem fouilleert. Toen bleek dat hij niets bij zich had, viel het volk hem aan en mishandelde hem behoorlijk. Maar ook de brigadier kwam er niet zonder kleerscheuren vanaf. De marechaussee uit Breda arriveert en neemt hem mee naar het politiebureau. De dag erna wordt er onderzoek gedaan in het bierhuis, en het gasthuis waar het lijk van Constantinus naartoe was gebracht. Ook Chretien is hier bij en wederom kan men met moeite het volk op afstand houden. Chretien bekent uit zelfverdediging te hebben gehandeld.
Uiteindelijk wordt hij dan ook vrijgesproken, omdat hij volgens het gerechtshof inderdaad handelde uit zelfverdediging.
Chretien is niet meer teruggekomen naar Oosterhout. Ook zijn vrouw is met de noorderzon vertrokken; zij liet alles achter en is niet meer bij haar man teruggekomen.
Een paar maanden na de dood van Constantinus verliest zijn weduwe Johanna de Rooij ook dochter Hendrika. Ze hertrouwt op 30 oktober 1902 en vertrekt met haar man en twee kinderen naar Hillegom. Met haar tweede man krijgt ze nog 9 kinderen.
Chretien heeft van dit alles niets geleerd. Op 19 oktober 1903 is hij met vijf collega’s, na het sluiten van de kermis, in een koffiehuis te Woerden. Ze krijgen ruzie, onderling én met de andere gasten. Een van die gasten is aan het vechten met een kermisklant. Chretien loopt op de man af en steekt hem een aantal keren van achteren met een dolk. Deze wordt geraakt in zijn long en sterft ter plekke.

Na zijn arrestatie ontkent Chretien alles, maar er zijn genoeg getuigen die het gezien hebben. Er wordt een gevangenisstraf van zes jaar geëist en dit wordt ook uitgesproken door het gerechtshof in Utrecht. Chretien gaat in hoger beroep maar ook het gerechtshof in Amsterdam gaat met de strafeis mee.
Chretien wordt op 31 maart 1904 opgenomen in de bijzondere strafgevangenis van Leeuwarden. Lang heeft hij er niet gezeten want op 2 november 1904 overlijdt hij daar.
De tekst van dit artikel is gepubliceerd onder een CC BY-SA 4.0-licentie (opent in een nieuw tabblad). Voor de illustraties geldt de licentie die in het bijschrift is vermeld.
